ECLI:NL:GHAMS:2024:1008

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 april 2024
Publicatiedatum
19 april 2024
Zaaknummer
23-002752-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 71 SrArt. 72 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens verjaring mishandeling met zwaar lichamelijk letsel

In deze zaak ging het om een hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter uit 2006, waarin verdachte bij verstek was veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel gepleegd in 2005.

Het openbaar ministerie had de verdachte in 2006 gedagvaard, maar vanwege onbekendheid met haar verblijfplaats en het ontbreken van een verblijfsvergunning was de dagvaarding aan de griffier gegeven. De verdachte verliet Nederland en vestigde zich in het buitenland. De verstekvonnisuitspraak werd in augustus 2006 betekend, maar het OM plaatste de verdachte abusievelijk niet op de signaleringslijst en verrichtte daarna geen vervolgingshandelingen.

Pas in 2018 keerde de verdachte terug naar Nederland en werd zij ingeschreven in de BRP. In 2023 werd het vonnis alsnog aan haar betekend. Het hof oordeelde dat de verjaringstermijn van twaalf jaar was verstreken zonder dat het OM een daad van vervolging had verricht, waardoor het feit verjaard is en het OM niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de vervolging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002752-23
datum uitspraak: 4 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-451478-05 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1975,
adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2024.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

Op 24 mei 2006 heeft het openbaar ministerie de verdachte gedagvaard ter zake van mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, gepleegd op 30 juli 2005 in Amsterdam. Deze dagvaarding is op dezelfde datum uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Amsterdam omdat van de verdachte destijds geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend was. Zij beschikte niet over een verblijfsvergunning en moest Nederland in augustus 2005 verlaten. Zij vestigde zich vervolgens in [adres 2].
Op 25 juli 2006 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld. In het dossier bevindt zich een mededeling uitspraak gedateerd op 17 augustus 2006. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting medegedeeld dat de uitspraak op voormelde datum zonder vaste woon-of verblijfplaats is betekend maar dat abusievelijk verzuimd is de verdachte op de signaleringslijst te plaatsen. Dientengevolge heeft het openbaar ministerie vervolgens verzuimd jaarlijks na te gaan of de uitspraak alsnog aan de verdachte kon worden betekend. Op 16 juli 2018 is de verdachte Nederland opnieuw ingereisd. Kort nadien heeft zij zich in Amsterdam gevestigd, heeft zij zich ingeschreven in de BRP en heeft zij een verblijfsdocument gekregen. Eerst nadat de verdachte had geopteerd voor het Nederlanderschap is op 4 oktober 2023 een nieuwe mededeling uitspraak opgesteld en is het vonnis alsnog aan de verdachte betekend.
Gelet op artikel 70 van Pro het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) bedraagt de verjaringstermijn voor het tenlastegelegde misdrijf twaalf jaren, te rekenen vanaf de dag na het begaan van dat misdrijf (artikel 71 Sr Pro), dan wel vanaf de datum dat de verjaring door een daad van vervolging is gestuit (artikel 72 Sr Pro). Nu na de eerste poging tot betekening van het verstekvonnis op 17 augustus 2006 meer dan twaalf jaren zijn verstreken en het openbaar ministerie in deze periode geen enkele daad van vervolging meer heeft verricht is het feit verjaard en dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn strafvervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. D. Radder en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 april 2024.