ECLI:NL:GHAMS:2024:1023
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen beschikking vergoeding kosten rechtsbijstand verzoekschriftprocedure
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam, waarin een vergoeding van €340 voor kosten rechtsbijstand in een verzoekschriftprocedure werd toegekend en verrekend. Het hoger beroep is tijdig ingesteld en het openbaar ministerie heeft advies uitgebracht.
Tijdens de openbare behandeling in de raadkamer is appellant niet verschenen, noch diens advocaat. Het hof heeft de stukken bestudeerd en geoordeeld dat op grond van artikel 534 Sv Pro gronden van billijkheid aanwezig zijn om de vergoeding toe te kennen. De rechtbank had het bedrag verrekend conform artikel 534 lid 3 Sv Pro.
De advocaat van appellant voerde aan dat de vergoeding niet verrekend zou moeten worden omdat deze aan de advocaat toekomt voor werkzaamheden rondom het verzoekschrift. Het hof overweegt dat de vergoeding op grond van artikel 530 Sv Pro aan de gewezen verdachte wordt toegekend en niet aan diens advocaat. Verrekening van het bedrag betekent niet dat de verdachte geen betalingsverplichting aan de advocaat meer heeft.
Het hof volgt de bestendige lijn dat ook kosten van een raadsman in verband met het verzoekschrift verrekend moeten worden. Daarom wijst het hof het hoger beroep af en bevestigt de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt de vergoeding van €340 voor kosten rechtsbijstand met verrekening.