Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:122

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 januari 2024
Publicatiedatum
18 januari 2024
Zaaknummer
23-001812-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering na diefstal met geweld ondanks verweer verdachte

De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld tot betaling van €9.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdachte was eerder onherroepelijk veroordeeld voor diefstal met geweld gepleegd door meerdere personen.

In hoger beroep voerde de verdachte aan dat hij geen voordeel had genoten uit de diefstal en slechts bestuurder van de scooter was geweest. Hij stelde dat het idee voor de beroving van de medepleger afkomstig was en dat er geen afspraken over de verdeling van de buit waren gemaakt. Ook verklaarde hij geen contact meer te hebben gehad met de medepleger en geen aandeel in de buit te hebben ontvangen.

Het hof achtte deze verklaring niet aannemelijk, mede omdat de verdachte dit verweer pas in hoger beroep voerde en het niet verifieerbaar was. Het hof bevestigde dat bij een gezamenlijke beroving doorgaans wel een verdeling van de buit plaatsvindt. Hoewel niet expliciet uit het dossier bleek dat het horloge was verkocht, ging het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de waarde van het horloge.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en legde de ontnemingsvordering van €9.000,- op aan de verdachte.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ontnemingsvordering van €9.000,- tegen de verdachte.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001812-22
datum uitspraak: 18 januari 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-016759-20 tegen de betrokkene
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1998,
adres: [adres01] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentieadres01] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 9.000,-.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2020 -kort gezegd- onder meer veroordeeld ter zake van diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Dit vonnis is onherroepelijk.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 6 juli 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 9.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 januari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande
dat het hof zal responderen op een in hoger beroep gevoerd verweer.
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van primair € 15.000,- en subsidiair € 9.000,-.
De betrokkene heeft in hoger beroep verklaard dat hij geen voordeel heeft genoten uit de bewezenverklaarde diefstal met geweld. Het idee voor de beroving was van de medepleger afkomstig. Hij was alleen bestuurder van de scooter en heeft niets aan de beroving overgehouden. Er waren over de verdeling van de buit geen afspraken gemaakt en na de beroving heeft betrokkene de medepleger of de buit niet meer gezien. De betrokkene is kort na de beroving aangehouden en is nog steeds gedetineerd, en hij is niet achter de buit of een aandeel daarin aan gegaan, aldus nog steeds de betrokkene.
Het hof acht de verklaring van de betrokkene dat hij het horloge en de medepleger niet meer heeft gezien of op een andere manier met de medepleger contact heeft gehad en dat hij voor de beroving geen geld heeft ontvangen of op termijn zal ontvangen, niet aannemelijk, vooral gelet op het feit dat de betrokkene eerst ter terechtzitting in hoger beroep met deze weinig gedetailleerde en niet verifieerbare verklaring is gekomen. De betrokkene had in een eerder stadium hierover kunnen verklaren (ook zonder de naam van zijn mededader te noemen). In zijn algemeenheid ligt niet voor de hand dat bij het gezamenlijk uitvoeren van een beroving (zoals door de rechtbank bewezen verklaard) geen verdeling van de buit heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden.
Hoewel daarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken bevestigt het hof de beslissing van de rechtbank om bij de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het voordeel van de verdachte uit te gaan van de (na de beroving)
verkoopvan het horloge.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. P. Greve en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 januari 2024.
Mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
=========================================================================
[…]