ECLI:NL:GHAMS:2024:130

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
19 januari 2024
Zaaknummer
000962-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 51 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding rechtsbijstandkosten na mediation en sepot in strafzaak toegekend

Appellant stelde een verzoek in tot vergoeding van diverse kosten, waaronder schade door verzekering en rechtsbijstandkosten, naar aanleiding van een strafzaak die eindigde met een sepot na mediation.

De rechtbank verklaarde appellant niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn, maar het hof oordeelde dat appellant wel ontvankelijk is omdat de sepotbrief per gewone post werd verzonden en de raadsman pas later op de hoogte werd gesteld.

Het hof overwoog dat gronden van billijkheid ontbreken voor vergoeding van schade en rechtsbijstandkosten in de strafzaak zelf, omdat de zaak eindigde met een mediation en sepot. Wel is er billijkheid voor vergoeding van kosten rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure zelf, waarvoor €680 werd toegekend.

De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door deze vergoeding toe te kennen en de overige verzoeken af te wijzen.

De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 9 januari 2024.

Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding van €680 toe voor kosten rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure en wijst de overige verzoeken af.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000962-23-23 (530 Sv) en 000638-23 (533 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 15-335047
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 1 maart 2023 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker01]
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1997,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. G. Palanciyan,
[adres01] .

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 3 maart 2023 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 7 november 2023 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 260,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.462,97;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 340,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek omdat het verzoek buiten de termijn voor inzending zou zijn ontvangen.
Het hof overweegt als volgt.
De sepotbrief is per gewone brief verzonden. Om aan te kunnen nemen dat een gewezen verdachte door de daadwerkelijke ontvangst van een sepotbrief van het einde van zijn (straf)zaak kennis heeft kunnen nemen, dan wel daarvan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn, is onvoldoende dat het openbaar ministerie aan de hand van digitale stukken kan aantonen dat een sepotbrief is aangemaakt en ter verzending is aangeboden. Van zo een aanname kan evenmin sprake zijn wanneer het openbaar ministerie kan aantonen dat een sepotbrief per gewone post aan het GBA-adres of een anderszins bekend adres van de gewezen verdachte is verzonden. (…) Voorts dient, gelet op het bepaalde in artikel 51 Sv Pro, de raadsman die zich heeft gesteld van een dergelijke brief een afschrift te ontvangen. Dat geldt ook wanneer de raadsman zich eerst na het verzenden van de sepotbrief heeft gesteld. In dat geval moet hem alsnog onverwijld een afschrift worden verzonden (beschikking Gerechtshof Amsterdam 17 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:912).
In de onderhavige zaak is op 13 oktober 2021 een mediation-overeenkomst ondertekend. Uit de daarop volgende vaststellingsovereenkomst van 9 december 2021 blijkt dat appellant zijn excuses heeft aangeboden voor zijn handelen. Daarnaast blijkt uit de overeenkomst dat de partijen overeenstemming hebben bereikt en zij vragen de officier van justitie dan ook het incident als afgedaan te beschouwen. Op 14 december 2021 heeft de officier van justitie beslist om appellant niet verder te vervolgen. Dezelfde datum is een sepotbrief per gewone brief verzonden aan het adres van appellant. Appellant stelt geen kennis te hebben gekregen van deze brief. Wel is gebleken dat de raadsman van de gewezen verdachte op 11 april 2022 op de hoogte is gebracht van de sepotbeslissing. Het verzoekschrift is op 23 juni 2022 ingekomen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat appellant ontvankelijk is in zijn verzoek.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het hof ziet gronden van billijkheid voor afwijzing van het verzoek gedaan onder a en b nu de strafzaak is geëindigd met een sepot na een mediation-traject als hiervoor beschreven.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan appellant een vergoeding toe van € 680,00 (zeshonderdtachtig euro).
Wijst het anders of meer verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. D. Radder, M.J.A. Plaisier en P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 9 januari 2024.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 680,00 (zeshonderdtachtig euro) op bankrekeningnummer [iban_nummer01] t.n.v. Stichting Derdengelden Palancyan / Kupelian o.v.v. [ovv01] .
Amsterdam, 9 januari 2024,
mr. D. Radder, voorzitter.