In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2022 vernietigd en een nieuwe beslissing genomen. De zaak betreft een betrokkene die eerder is veroordeeld voor witwassen. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, oorspronkelijk geschat op € 102.575,82, later beperkt tot € 79.075,82. De rechtbank legde een betalingsverplichting van € 67.634,42 op.
Het hof baseert de ontnemingsvordering op artikel 36e, derde lid, Sr, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend via een kasopstelling over de periode van september 2015 tot juni 2019. Hierbij wordt het verschil tussen contante uitgaven en legale ontvangsten als voordeel aangemerkt. De verdediging voerde aan dat witwassen op zich geen wederrechtelijk verkregen voordeel oplevert, maar dit verweer werd verworpen omdat de ontnemingsgrondslag niet vereist dat het voordeel direct samenhangt met het bewezen strafbare feit.
Het hof heeft het ontnemingsrapport als deugdelijk beoordeeld en enkele aanpassingen doorgevoerd, onder meer rekening houdend met bankopnames, opbrengst verkoop auto en geld van schoonouders. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 67.634,42. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie maanden wordt de betalingsverplichting gematigd tot € 65.000,-. Tevens is de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen.