ECLI:NL:GHAMS:2024:1538
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep op beschikking gronden van billijkheid bij voorwaardelijk sepot
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam die zijn verzoek om vergoeding van schade en proceskosten in een strafzaak had afgewezen. De rechtbank vond onvoldoende gronden van billijkheid voor vergoeding omdat het ging om een voorwaardelijk sepot en appellant zich moedwillig had laten aanhouden.
Het hof heeft het dossier bestudeerd en concludeert dat de rechtbank onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de gronden van billijkheid ontbraken. Het hof stelt dat een verzoek tot vergoeding in beginsel moet worden toegewezen tenzij gronden van billijkheid zich daartegen verzetten.
In dit geval acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig om de schadevergoeding toe te kennen, omdat appellant zich moedwillig liet aanhouden om een slaapplaats te verkrijgen. Wel acht het hof gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de procedure, en kent het een bedrag van €1.020 toe. De beschikking wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht.
Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding van €1.020 toe voor kosten rechtsbijstand en wijst het overige verzoek af.