Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
€ 12.434,00(tarief VIII, 2 punten à € 6.217)
Gerechtshof Amsterdam
C.D. Holding vordert schadevergoeding van ABN AMRO wegens een vermeende schending van een buitencontractuele zorgplicht. Zij stelt dat ABN AMRO niet tijdig en duidelijk heeft gecommuniceerd over de gevolgen van een faillissement van een van de kredietnemende vennootschappen binnen een gezamenlijke kredietovereenkomst.
De rechtbank wees de vordering af, en C.D. Holding ging in hoger beroep. Het hof bevestigt dat ABN AMRO bevoegd was de kredietovereenkomst op te zeggen bij faillissement van een kredietnemer en dat C.D. Holding geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan het uitblijven van een expliciet antwoord op haar vragen. Bovendien heeft C.D. Holding zelf het faillissement van de meeste vennootschappen geïnitieerd.
De grieven van C.D. Holding falen, mede omdat zij geen feiten heeft gesteld die het vertrouwen op voortzetting van de kredietovereenkomst rechtvaardigen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt C.D. Holding in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van C.D. Holding af wegens gebrek aan feitelijke grondslag.