De zaak betreft het hoger beroep van een minderjarige tegen de beschikking van de kinderrechter die een machtiging gaf voor plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. De minderjarige heeft een belaste voorgeschiedenis met gedragsproblemen, PTSS en een hartprobleem, en vertoonde herhaaldelijk onttrekkingsgedrag aan begeleiding en behandeling.
Tijdens de procedure gaf de minderjarige aan het goed te maken en open te staan voor therapie, maar het hof constateerde dat hij zich recentelijk onttrok aan begeleid verlof en zijn behandeling daardoor moeizaam verloopt. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden de machtiging te handhaven vanwege de noodzaak van een veilige en gestructureerde omgeving.
Het hof oordeelde dat de gesloten plaatsing noodzakelijk is voor de stabilisatie en behandeling van de minderjarige en dat een kortere duur van de machtiging niet passend is. Ook werd geoordeeld dat de GI bevoegd is een geschikte plaats te bepalen. De bestreden beschikking is dan ook bekrachtigd, met het advies om de minderjarige tijdig aan te melden voor begeleid wonen om perspectief te bieden.