In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kinderrechter van 29 januari 2024 bevestigd in een zaak tegen een jeugdige verdachte geboren in 2006, die werd verdacht van diefstal en diefstal in vereniging.
Het hof heeft de gebruikte bewijsmiddelen vervangen door andere die na eventueel cassatieberoep zullen worden opgenomen en heeft het vonnis aangevuld met een aanvullende bewijsoverweging. De verdachte had verklaard dat hij de aangetroffen telefoon niet had gestolen, maar deze had gevonden na een vechtpartij. Het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig vanwege de plaats van de telefoon in zijn broekzak, het feit dat de telefoon een aantal straten verderop was gestolen en het verschil in type telefoon ten opzichte van wat de verdachte bezat.
Het hof concludeerde dat de verklaring van de verdachte onvoldoende was om twijfel te zaaien en bevestigde het vonnis van de kinderrechter met inachtneming van deze overwegingen.