Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:1766

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 juni 2024
Publicatiedatum
25 juni 2024
Zaaknummer
23-003218-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling vriendin aan openbare weg zonder levensgezelschap

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van mishandeling van zijn vriendin op 22 augustus 2023 in Amsterdam.

Het hof oordeelde dat onvoldoende bewijs bestaat dat het slachtoffer de levensgezel van verdachte was, waardoor verdachte daarvan vrijgesproken werd. De alternatieve lezing van verdachte dat het slachtoffer was gestruikeld en hij haar niet mishandeld had, werd verworpen op grond van camerabeelden en getuigenverklaringen die het tegendeel bewezen.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer bij de hals heeft gepakt en meermalen krachtig heeft geslagen, hetgeen een ernstige inbreuk op haar lichamelijke integriteit vormde en angst veroorzaakte. De mishandeling vond overdag en in het openbaar plaats, wat de ernst vergroot.

Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoon van verdachte, legde het hof een taakstraf van 60 uur op, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Een gevangenisstraf werd niet passend geacht, mede vanwege het ontbreken van voldoende inzicht bij verdachte in de ernst van zijn handelen.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 juni 2024.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, deels voorwaardelijk, en vrijgesproken van het levensgezelschap.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003218-23
datum uitspraak: 20 juni 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 december 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-210575-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 augustus 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer], heeft mishandeld door die [slachtoffer]:
- vast te pakken/grijpen/houden bij de hals/keel en/of
- ( vervolgens) (met kracht) naar de grond te trekken en/of
- meermaals, althans eenmaal (met kracht) te slaan/stompen in/op/tegen het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Partiële vrijspraak

Het hof is – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende volgt dat het slachtoffer ten tijde van het tenlastegelegde feit de levensgezel van de verdachte was, in de zin dat zij – beoordeeld naar aard en hechtheid – met de verdachte een nauwe persoonlijke betrekking onderhield die vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Het enkele feit dat de verdachte en het slachtoffer een relatie hebben en voornemens zijn in de toekomst met elkaar te gaan samenwonen en trouwen is daarvoor onvoldoende. De verdachte zal daarom van die strafverzwarende omstandigheid worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging

De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij het slachtoffer niet naar de grond heeft gewerkt en haar niet heeft geslagen, maar dat zij is gestruikeld en dat hij enkel – naast haar – op de grond heeft geslagen. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte daarom van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De beelden zouden die lezing van verdachte niet uitsluiten, terwijl de getuigen zich allemaal op een zekere afstand van het incident bevonden en geen vrij zicht hadden op de situatie.
Het hof acht de door de verdachte geschetste gang van zaken niet aannemelijk en stelt deze terzijde. Het hof overweegt hiertoe dat uit het proces-verbaal van bevindingen, waarin de camerabeelden zijn beschreven, alsook uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], duidelijk blijkt dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer bij de hals heeft gepakt, waarna zij is gevallen. Vervolgens heeft de verdachte hardhandig en meermalen op het slachtoffer ingeslagen. Voorts overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat pijn wordt ervaren, wanneer iemand geslagen wordt, op de wijze die uit de bewijsmiddelen volgt.
Aan de overtuiging van het hof dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan draagt bij dat uit het proces-verbaal van bevindingen - opgemaakt door de verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen, omdat meerdere melders hadden aangegeven dat een vrouw door een man zou worden geslagen - de gemoedstoestand van het slachtoffer blijkt. Het slachtoffer zelf heeft ook het alarmnummer gebeld, omdat zij zich onveilig voelde omdat de verdachte boos op haar was. Het slachtoffer was emotioneel, hield haar ogen steeds gericht op de verdachte en verklaarde desgevraagd dat dit vaker gebeurde, ook thuis, dat zij het vernederend vindt en het er niet mee eens is.
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 augustus 2023 te Amsterdam [slachtoffer], heeft mishandeld door die [slachtoffer]:
- vast te pakken bij de hals en
- meermaals met kracht te slaan tegen het lichaam.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren opgelegd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft tenslotte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken gevorderd met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van het slachtoffer, die tot op de dag van vandaag zijn vriendin is, door haar bij de hals vast te pakken en meermalen krachtig op haar in te slaan. Aldus heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en een voor haar angstige situatie in het leven geroepen, terwijl de verdachte diegene is bij wie zij zich veilig had moeten kunnen voelen. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
De mishandeling vond bovendien op klaarlichte dag plaats aan de openbare weg, onder het toeziend oog van omstanders en verkeersdeelnemers. Op die manier dragen dergelijke feiten tevens bij aan de gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.
Het hof heeft in negatieve zin meegewogen dat de verdachte, gelet op zijn houding op zitting, onvoldoende blijk heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte onvoldoende concreet heeft kunnen aangeven in hoeverre hij van het onderhavig incident heeft geleerd en hoe hij zich in het vervolg in situaties, waarbij de emoties hoog oplopen, anders zal gedragen, hetgeen het hof – met name gelet op het voortduren van de relatie – zorgelijk vindt.
Het hof heeft acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen van relationeel geweld worden opgelegd. Het hof ziet geen aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen, maar acht, alles afwegende, een hogere en deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. A.W.T. Klappe en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2024.