In hoger beroep is het vonnis van de politierechter bevestigd voor de mishandeling van een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) waarbij verdachte in haar hand heeft gebeten. De mishandeling vond plaats tijdens een aanhouding waarbij verdachte zich gewelddadig opstelde en ondanks waarschuwingen niet wegging.
De BOA liep door het bijten letsel op en heeft psychische hulp nodig gehad, wat het hof zwaar laat meewegen. Verdachte is eerder veroordeeld voor geweldsdelicten, maar toont sinds kort een positieve ontwikkeling met een baan, woning en behandeling.
Het hof kiest daarom voor een forse taakstraf van 200 uur in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en verlengt de proeftijd van een eerdere voorwaardelijke straf met één jaar. Het hoger beroep tegen de vrijspraak voor andere tenlasteleggingen is niet-ontvankelijk verklaard.
De strafoplegging houdt rekening met de ernst van het feit, het respectloos gedrag tegenover een openbaar gezagsdrager en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de taakstraf volgens de geldende maatstaf.