In deze zaak is een wrakingsverzoek ingediend door twee verzoekers tegen drie raadsheren van de civiele kamer van het gerechtshof Amsterdam. Het verzoek betrof de beslissing om een mondelinge behandeling door te laten gaan ondanks ziekte van de advocaat van verzoekers en het afwijzen van een verzoek tot schriftelijk pleidooi.
De raadsheren hadden besloten het mondelinge pleidooi door te laten gaan en gaven schriftelijk aan dat dit een procedurele beslissing betrof die op zichzelf geen grond voor wraking vormt, tenzij sprake is van objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. De wrakingskamer oordeelde dat deze situatie niet aan de orde was.
Verder werd het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden geacht omdat de advocaat van verzoekers aanwezig was en de gelegenheid kreeg het woord te voeren. Ook de vermeende afspraak om voorafgaand aan de zitting te worden gebeld werd niet bevestigd en vormde geen grond voor wraking.
De wrakingskamer concludeerde dat alle aangevoerde gronden faalden en wees het wrakingsverzoek af. De beslissing werd op 16 juli 2024 door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam in het openbaar uitgesproken.