ECLI:NL:GHAMS:2024:2064
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis inzake schuld uit samenlevingscontract en kostenbetaling
In deze civiele procedure in hoger beroep stond de vraag centraal of appellant aan geïntimeerde een bedrag van € 18.500,- verschuldigd is uit hoofde van door geïntimeerde betaalde kosten, zoals vastgelegd in een samenlevingscontract. Het hof gaf appellant de gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs, maar hij slaagde hier niet in. Zowel appellant als geïntimeerde hebben getuigenverklaringen afgelegd, waarbij appellant stelde dat hij niet op de hoogte was van de vordering en dat de overeenkomst was opgesteld om beslaglegging te voorkomen.
Geïntimeerde betoogde dat partijen de overeenkomst gezamenlijk hadden besproken en dat de vordering gebaseerd was op een gedetailleerde administratie die zij had bijgehouden, hoewel het kasboek niet meer beschikbaar was. Het hof achtte de verklaring van geïntimeerde aannemelijker en vond het bewijs van appellant onvoldoende om de stelling van geïntimeerde te ontzenuwen.
Het hof overwoog verder dat de door appellant aangevoerde stellingen over mogelijke aanpassing van stukken en onduidelijkheid over de kosten niet onderbouwd waren en daarom niet tot een ander oordeel konden leiden. De kantonrechter had appellant terecht veroordeeld tot betaling van € 18.500,- vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd vanwege de voormalige affectieve relatie tussen partijen. Het hof wees het hoger beroep af en bekrachtigde het bestreden vonnis.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant € 18.500,- aan geïntimeerde moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente.