ECLI:NL:GHAMS:2024:217

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 januari 2024
Publicatiedatum
30 januari 2024
Zaaknummer
200.312.183/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 sub a Brussel I bis-verordeningArt. 4 lid 1 Brussel I bis-verordeningArt. 6:116 BWArt. 236 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij cessie en Brussel I bis-verordening

Het geschil betreft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een civiele procedure over een winstverdelingsafspraak tussen partijen. De oorspronkelijke vordering werd ingesteld door de vader van appellant, die woonachtig was in het Verenigd Koninkrijk, waarna de vordering werd gecedeerd aan appellant. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering en dit werd door het hof bekrachtigd.

Appellant voerde aan dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is op grond van artikel 7 lid 1 sub a van Pro de Brussel I bis-verordening, omdat de verbintenis tot betaling in Nederland moet worden uitgevoerd. Het hof oordeelde dat een cessie geen nieuw forum creëert en dat de bevoegdheid wordt bepaald op het moment van het instellen van de vordering, waarbij de woonplaats van de schuldeiser leidend is.

Het hof verwees naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie die bevestigt dat overdracht van een vordering geen invloed heeft op de bevoegdheidsbepaling. De eerdere uitspraken hebben geen gezag van gewijsde in deze nieuwe procedure. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd kennis te nemen van de vordering na cessie.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaak-/rolnummer : 200.312.183/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/705658 / HA ZA 21-710
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 januari 2024
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. V. Bakker te Amstelveen,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats 2] , Duitsland,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 18 maart 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2021, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in de hoofdzaak, tevens verweerder in het incident, en [geïntimeerde] als gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in het incident.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, naar het hof begrijpt, alsnog de vordering in het incident zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.

2.Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. Deze feiten komen neer op het volgende.
2.1
[appellant] is de zoon van [naam] (hierna: [appellant] senior).
2.2
[appellant] senior en [geïntimeerde] hebben op 27 februari 2004 schriftelijk een winstverdelingsafspraak gemaakt die inhoudt dat de winsten die [geïntimeerde] zou behalen via de ondernemingen Bartonhill Limited (verder: Bartonhill) en Julimar Investments AVV (verder: Julimar) bij helfte zouden worden verdeeld tussen [appellant] senior en [geïntimeerde] .
2.3
Tussen [geïntimeerde] en [appellant] senior (dan wel aan hen gelieerde ondernemingen) heeft een procedure plaatsgevonden bij deze rechtbank. In die procedure heeft [appellant] senior bij akte van 16 november 2016 onder meer (onder c) gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van het aan [appellant] senior toekomend winstaandeel, te verminderen met leningen, zodat resteert € 554.124,83, te vermeerderen met wettelijke rente. Vervolgens heeft [appellant] senior zijn vorderingen op [geïntimeerde] aan [appellant] overgedragen, door middel van cessie.
2.4
Bij vonnis in incident, gewezen tussen [appellant] en [geïntimeerde] , van 17 januari 2018 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering onder c (zie 2.3). De rechtbank heeft onder meer overwogen:
‘4.18 Het tijdstip waarnaar de bevoegdheid van de rechter moet worden beoordeeld is in beginsel het tijdstip waarop de tussenkomst van de rechter wordt ingeroepen (vgl. HR 28 mei 1999, NJ 2011/212 en HR 19 maart 2004, NJ 2005/295). In dit geval is het tijdstip waarop de tussenkomst van de rechter ten aanzien van het gevorderde onder c) werd ingeroepen, het moment waarop deze vordering, bij de akte vermeerdering van eis, werd ingesteld. Nu de schuldeiser, toen nog [appellant] sr., op dat moment (en thans nog) woonplaats in het Verenigd Koninkrijk had, betekent dit dat een rechter in het Verenigd Koninkrijk en niet de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 1 sub a EEX Pro-Vo bevoegd is om van het gevorderde onder c) kennis te nemen.
4.19
Een wijziging van de woon- of vestigingsplaats of een cessie die heeft plaatsgevonden na het instellen van de vordering, heeft in verband met het zgn. perpetuatio fori beginsel (…) geen gevolgen voor de oorspronkelijke plaats van uitvoering van de verbintenis in geschil (…).’
2.5
Dit gerechtshof heeft bij arrest van 26 november 2019 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het gerechtshof heeft onder meer overwogen dat in beginsel voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beslissend is het tijdstip waarop zijn tussenkomst wordt ingeroepen. Dat houdt in dat de onbevoegde rechter onbevoegd blijft, ook al doen zich later feiten voor waarop hij destijds zijn bevoegdheid had kunnen gronden. Het gerechtshof heeft vervolgens overwogen dat de vordering van [appellant] sr. bij de akte van 16 november 2016 is ingesteld, en dat die datum in beginsel bepalend is. Het relevante aanknopingspunt voor de rechtsmacht is volgens het toepasselijke Nederlandse recht gelegen in de woonplaats van de schuldeiser. Toen de vordering werd ingesteld woonde [appellant] senior niet in Nederland, zodat de Nederlandse rechter niet bevoegd was. Een cessie van een vordering als de onderhavige rechtvaardigt volgens het gerechtshof niet een uitzondering op het uitgangspunt dat het moment van het inroepen van de tussenkomst van de rechter bepalend is voor zijn bevoegdheid. Tegen de beslissing van het gerechtshof is geen rechtsmiddel ingesteld.

3.Beoordeling

3.1
[appellant] heeft in eerste aanleg in de hoofdzaak gevorderd, samengevat, primair [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 1.789.124,83, te vermeerderen met rente, en subsidiair [geïntimeerde] te bevelen alle dividendbesluiten van Bartonhill en Julimar in het geding te brengen, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een voorschot en het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot door hem genoten ‘income and capital gains’. Aan deze vorderingen heeft hij nakoming van de winstverdelingsafspraak ten grondslag gelegd.
3.2
[geïntimeerde] heeft vervolgens in het incident gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de kosten. [appellant] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in het incident.
3.3
De rechtbank heeft de incidentele vordering toegewezen en zich onbevoegd verklaard van het geschil tussen partijen kennis te nemen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. Partijen voeren debat over de vraag of aan de beslissing van het gerechtshof (zie 2.5) gezag van gewijsde toekomt. De rechtbank gaat daar niet op in omdat, ook in het geval dat aan deze beslissing geen gezag van gewijsde toekomt, zij geen rechtsmacht heeft. De vraag naar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden beantwoord aan de hand van de Brussel I bis-Verordening. Op grond van artikel 7 lid 1 sub a van Pro die verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ook worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De plaats waar de gestelde verbintenis moet worden uitgevoerd, wordt bepaald aan de hand van het materiële recht dat van toepassing is op de overeenkomst. Tussen partijen staat vast dat dat het Nederlandse recht is en dat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt een verbintenis tot betaling van een geldsom is. Op grond van artikel 6:116 BW Pro moet de betaling van die geldsom worden gedaan aan de woonplaats van de schuldeiser. De overdracht van een vordering, zoals een cessie, kan op zich geen invloed hebben op de bepaling van het bevoegde gerecht (zie HvJ EU 18 juli 2013, ECLI:EU:C:2013:490, ÖFAB/Koot, HvJ EU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335, CDC/Akzo en HvJ EU 14 november 2017, ECLI:EU:C:2017:863, Schrems/Facebook). Bepalend zijn de woonplaatsen van [appellant] senior en [geïntimeerde] ten tijde van de akte van cessie. [appellant] senior en [geïntimeerde] hadden toen geen van beiden hun woonplaats in Nederland. Dat betekent dat aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt.
3.4
[appellant] betoogt bij zijn grieven, kort gezegd, dat aan het oordeel in de eerdere zaak geen gezag van gewijsde toekomt en voorts dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is op grond van artikel 7 lid 1 sub a van Pro de Brussel I bis-Verordening (voluit: verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Op grond van artikel 6:116 BW Pro moet de betaling van het winstaandeel van [appellant] geschieden aan diens woonplaats. De plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt moet worden uitgevoerd is dan ook in Nederland gelegen zodat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen, aldus [appellant] .
3.5
[geïntimeerde] voert aan dat in het bestreden vonnis niet is beslist op zijn beroep op het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraken, zodat dit geen onderdeel uitmaakt van de rechtsstrijd in hoger beroep. [geïntimeerde] bestrijdt voorts dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de onderhavige zaak kennis te nemen. Door opnieuw, na de cessie, een procedure aan te spannen wordt het beginsel dat een eenmaal onbevoegde rechter onbevoegd blijft, ondergraven. [appellant] gebruikt het nationale procesrecht daarmee op een manier die afbreuk doet aan het nuttig effect van de Brussel I bis-Verordening. Dat is in strijd met vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, aldus [geïntimeerde] .
3.6
Het hof is van oordeel dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen, en overweegt daartoe het volgende.
3.7
Uit de stellingname van [geïntimeerde] in dit hoger beroep is niet af te leiden dat hij zijn in eerste aanleg gedane beroep op het gezag van gewijsde heeft prijsgegeven. Het hof zal daarom de vraag of aan het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2018, zoals bekrachtigd door dit gerechtshof bij zijn arrest van 26 november 2019, gezag van gewijsde toekomt, betrekken bij zijn ambtshalve onderzoek naar zijn bevoegdheid in deze zaak. De beslissing die in genoemde uitspraken is genomen, betreft niet de rechtsbetrekking die (ook thans) in geschil is, maar slechts de toegang tot de Nederlandse rechter inzake dat geschil. Artikel 236 Rv Pro mist dan ook toepassing. De beslissingen die in de eerdere zaak zijn genomen, hebben daarom geen bindende kracht in dit geschil.
3.8
Artikel 4 lid 1 van Pro de toepasselijke Brussel I bis-Verordening bevat de hoofdregel van de regeling van de internationale bevoegdheid in die verordening. Daarbij wordt bevoegdheid verleend aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft. Dat zijn in dit geval de Duitse gerechten.
3.9
Hoofdstuk II, afdeling 2, van die verordening regelt afwijkingen van dit beginsel, onder meer dat ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst ook bevoegd is het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (artikel 7, aanhef en sub 1 onder a). Aangezien dit een bijzondere bevoegdheidsregel vormt, moet er een strikte uitlegging aan worden gegeven, die niet verder gaat dan de door de verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen (zie bijvoorbeeld arrest Melzer, ECLI:EU:C:2013:305, punt 24). Daarbij is van betekenis dat voorspeld kan worden welk gerecht bevoegd is.
3.1
In het arrest ÖFAB, ECLI:EU:C:2013:490, punt 58, overweegt het Hof van Justitie dat het in strijd zou zijn met één van de in de considerans genoemde doelstellingen van de verordening, namelijk dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn, om te erkennen dat een overdracht van een vordering door de oorspronkelijke schuldeiser invloed kan hebben op de bepaling van het bevoegde gerecht volgens artikel 5, punt 3, van die verordening (hof: de alternatieve bevoegdheid bij verbintenissen uit onrechtmatige daad). In het arrest Schrems II, ECLI:EU:C:2018:37, punt 48, overweegt het Hof van Justitie, met verwijzing naar het arrest ÖFAB, dat het in een andere context heeft gepreciseerd dat een overdracht van een vordering op zich geen invloed heeft op de bepaling van het bevoegde gerecht. Het is dan ook niet mogelijk, zo vervolgt het Hof, dat andere dan de uitdrukkelijk door de verordening aangeduide gerechten bevoegd worden wanneer men meerdere rechten bij een enkele verzoeker bundelt. Een cessie kan derhalve geen nieuw forum creëren ten gunste van de consument-cessionaris, zo sluit het Hof van Justitie af.
3.11
Het Hof van Justitie heeft aldus, zowel in de context van een vordering uit onrechtmatige daad als in de context van een vordering uit een consumentenovereenkomst, geoordeeld dat een cessie van de vordering geen invloed kan hebben op de bepaling van het bevoegde gerecht ingevolge de verordening. Het Hof van Justitie heeft die regel afgeleid uit de in de considerans geformuleerde doelstellingen van de verordening - voorspelbaarheid van de bevoegdheid - en, met name in laatstgenoemd arrest, als een algemeen geldende regel geformuleerd.
3.12
In dit geval heeft, in de eerdere procedure, eerst [appellant] senior nakoming gevorderd van de afspraak tot winstdeling. Na overdracht van de vordering aan zijn zoon, [appellant] , heeft deze de procedure voortgezet. De Nederlandse rechter heeft zich in deze eerste zaak onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen. Daarna heeft [appellant] zich in een tweede procedure - de onderhavige - opnieuw tot de Nederlandse rechter gewend en heeft hij wederom nakoming van de afspraak tot winstdeling gevorderd. Een en ander geeft aanleiding de regel toe te passen dat cessie van een vordering geen invloed kan hebben de bepaling van het bevoegde gerecht ingevolge de verordening. Het zou immers in strijd zijn met de bij toepassing van de Brussel I bis-Verordening geldende eis van voorspelbaarheid om in weerwil van de eerdere uitspraken thans wel bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan te nemen. Het enkele feit dat [appellant] senior zijn zakelijke activiteiten wenste af te bouwen en daarom zijn vordering aan [appellant] heeft gecedeerd, is onvoldoende om anders te oordelen. Dat zou niet sporen met de strikte uitleg die aan de uitzonderingen op de hoofdregel dat het gerecht van de verweerder bevoegd is, dient te worden gegeven.
3.13
[appellant] wijst nog erop dat de winstverdelingsafspraak destijds in Amsterdam is gemaakt en dat [geïntimeerde] toen in Amsterdam woonde. Een en ander zou bijdragen aan de nauwe band met Nederland. Het hof gaat hieraan voorbij. Deze omstandigheden worden niet genoemd bij de regeling betreffende bevoegdheid bij een vordering gegrond op een verbintenis uit overeenkomst. [geïntimeerde] betwist overigens dat hij destijds in Amsterdam woonde, terwijl [appellant] deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Daarom is in dit geding niet vast komen te staan dat [geïntimeerde] destijds in Amsterdam woonde.
3.14
Gelet op het bovenstaande falen de grieven. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.780,- aan verschotten en € 1.183,- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. Struik, D. Kingma en A.W.G. Artz en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2024.