ECLI:NL:GHAMS:2024:217
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij cessie en Brussel I bis-verordening
Het geschil betreft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een civiele procedure over een winstverdelingsafspraak tussen partijen. De oorspronkelijke vordering werd ingesteld door de vader van appellant, die woonachtig was in het Verenigd Koninkrijk, waarna de vordering werd gecedeerd aan appellant. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering en dit werd door het hof bekrachtigd.
Appellant voerde aan dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is op grond van artikel 7 lid 1 sub a van Pro de Brussel I bis-verordening, omdat de verbintenis tot betaling in Nederland moet worden uitgevoerd. Het hof oordeelde dat een cessie geen nieuw forum creëert en dat de bevoegdheid wordt bepaald op het moment van het instellen van de vordering, waarbij de woonplaats van de schuldeiser leidend is.
Het hof verwees naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie die bevestigt dat overdracht van een vordering geen invloed heeft op de bevoegdheidsbepaling. De eerdere uitspraken hebben geen gezag van gewijsde in deze nieuwe procedure. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd kennis te nemen van de vordering na cessie.