In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam heeft het gerechtshof het primair tenlastegelegde, poging tot zware mishandeling, niet bewezen verklaard wegens onvoldoende bewijs voor opzet op zwaar lichamelijk letsel. De verdachte werd vrijgesproken van deze tenlastelegging.
Subsidiair werd bewezen verklaard dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het slachtoffer door hem op de grond te gooien, te slaan en te schoppen op een voor het publiek toegankelijke plaats. De verdachte werd hiervoor veroordeeld.
De verdediging voerde noodweerexces aan, stellende dat het geweld het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een eerdere aanranding met een fles. Het hof verwierp dit verweer omdat de gedragingen niet het onmiddellijke gevolg waren van die gemoedsbeweging en het geweld buitensporig was.
De opgelegde straf is een taakstraf van 40 uur, waarbij het hof rekening hield met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond, het ontbreken van een strafblad en het feit dat de onenigheid begon door een aanval met een fles. De verdachte heeft zijn handelen ter terechtzitting afgekeurd.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 9 april 2024.