ECLI:NL:GHAMS:2024:2254

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
13 augustus 2024
Zaaknummer
23-000315-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met gedeeltelijke vernietiging vordering schadevergoeding benadeelde partij

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld en stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd van €16.153,47, bestaande uit gestolen VVV-bonnen en onderzoekskosten. Kort voor de terechtzitting werd deze vordering verlaagd tot €3.000,00, bestaande uit materiële schade, zonder wettelijke rente. De advocaat-generaal en de verdediging stemden in met deze verlaging en toewijzing.

Het hof concludeerde dat uit het onderzoek voldoende bleek dat de benadeelde partij rechtstreeks schade had geleden door het handelen van de verdachte. De vordering tot €3.000,00 werd daarom toegewezen. Voor de overige kosten werd nihil begroot. Het vonnis van de rechtbank werd voor het overige bevestigd.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 26 maart 2024, waarbij één rechter niet kon medeondertekenen.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis behalve de schadevergoedingsvordering, die wordt verlaagd en toegewezen tot €3.000,00.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000315-22
datum uitspraak: 26 maart 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-025006-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1993,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] B.V.– in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zal aanvullen met de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Vorderingen van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 16.153,47, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze bestaat uit een bedrag van € 1.000,00 aan VVV bonnen die de verdachte zou hebben gestolen en € 15.153,47 aan onderzoekskosten van [BV] B.V.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
Uit het verhandelde ter terechtzitting en de e-mails tussen de raadsvrouw en de [benadeelde] (zoals ter terechtzitting door de raadsvrouw overhandigd, en door het hof gevoegd in het dossier), leidt het hof af dat de vordering door de benadeelde partij – kennelijk grotendeels uit clementie en na overleg met de raadsvouw – kort voor de terechtzitting is verlaagd tot een (totaal)bedrag van € 3.000,00 bestaande uit materiële schade en voorts dat de wettelijke rente niet langer wordt gevorderd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de (verlaagde) vordering van de benadeelde partij.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de (verlaagde) vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is volgens het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De (verlaagde) vordering van de benadeelde partij, inhoudende € 3.000,00 aan materiële schade, is niet door de verdediging betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van:
- de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] B.V. ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro)ter zake van materiële schade.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. R. van der Heijden en M. Vollebregt, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van Eijck van Heslinga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2024.
mr. R. van der Heijden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.