Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.De vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
de onschuldpresumptie
€ 173,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele procedure vordert geïntimeerde vergoeding van schade wegens een door appellant toegebrachte knieprik tijdens een familiefeest. De rechtbank had reeds vastgesteld dat appellant onvoldoende betwistte dat hij geïntimeerde had gestoken, waardoor dit als vaststaand werd aangenomen en een onrechtmatige daad werd vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet verplicht kon worden om in de civiele procedure vooruit te lopen op strafrechtelijke verweren vanwege de onschuldpresumptie, en dat hij de stelling onvoldoende gemotiveerd betwist had. Het hof verwierp dit verweer en bevestigde dat de civiele regels van stelplicht en bewijslast ook gelden voor een verdachte in een strafzaak.
Het hof concludeerde dat geïntimeerde voldoende feiten en bewijs had gesteld, waaronder medische stukken, getuigenverklaringen en tapgesprekken, die de stelling van het steken in de knie onderbouwen. Appellant had deze stelling niet gemotiveerd betwist, maar slechts blote ontkenningen en alternatieve scenario's geschetst zonder concreet bewijs.
Het hof kwalificeerde het steken als een onrechtmatige daad en veroordeelde appellant tot vergoeding van de schade, die nader te bepalen is in een schadestaatprocedure. De grieven van appellant werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. Appellant werd tevens veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant aansprakelijk is voor het steken in de knie van geïntimeerde en veroordeelt hem tot schadevergoeding en proceskosten.