In deze strafzaak is verdachte in hoger beroep veroordeeld voor openlijke geweldpleging door het spuiten van graffiti op een elektriciteitskast in Hoorn. Het hof acht bewezen dat verdachte samen met een mededader op 16 augustus 2020 openlijk geweld heeft gepleegd tegen goederen door het gezamenlijk spuiten van verf op een schakelkast nabij het parkeerterrein van een zwembad.
De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat de gedragingen niet onder openlijke geweldpleging vielen. Het hof verwierp deze verweren en baseerde zich op waarnemingen van een verbalisant en eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. Voor andere beschuldigingen van graffiti op een andere schakelkast en een restaurantmuur was onvoldoende bewijs, waardoor verdachte daarvoor werd vrijgesproken.
Hoewel het bewezenverklaarde feit strafbaar is, besloot het hof geen straf op te leggen. Dit vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat verdachte in een gelijktijdig behandelde zaak langdurig in voorlopige hechtenis heeft gezeten, terwijl daar slechts een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf werd opgelegd. Tevens werden beslaggenomen spuitbussen teruggegeven en vorderingen van benadeelden tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.