Op 15 mei 2021 vond een ruzie plaats tussen de verdachte en zijn zoon in hun woning te Zandvoort, waarbij de verdachte zijn zoon vastgreep en vervolgens in diens vinger beet. De zoon had een bloedende wond en liep letsel op door de val.
De verdachte verklaarde te hebben gehandeld uit angst een vinger in zijn oog te krijgen en zag geen andere uitweg dan zich te verdedigen met zijn mond. Het hof oordeelde dat de gedragingen van de zoon een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding vormden, waardoor de verdachte zich mocht verdedigen.
Hoewel de verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging overschreed door in de vinger te bijten, acht het hof aannemelijk dat dit het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding. Hierdoor is sprake van noodweerexces, waardoor de verdachte niet strafbaar is en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof vernietigt het eerdere vonnis en verklaart bewezen dat de verdachte zijn zoon heeft mishandeld door te duwen en te bijten, maar spreekt hem vrij van verdere tenlasteleggingen. De strafbaarheid wordt erkend, maar de verdachte wordt niet vervolgd vanwege noodweerexces.