ECLI:NL:GHAMS:2024:2663
Gerechtshof Amsterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening in hoger beroep
In deze zaak dienden verzoekers een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren die het hoger beroep behandelden in een civiele procedure. Het verzoek werd ingediend op 19 juli 2024, terwijl de feiten die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek reeds op of voor 16 mei 2024 bekend waren, met uitzondering van de mededeling over het schriftelijk beschikbaar stellen van de uitspraak op 17 juni 2024.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet tijdig was ingediend, aangezien er meer dan een maand verstreek tussen de bekendwording van de laatste omstandigheid en het indienen van het verzoek. Verzoekers gaven geen redelijke verklaring voor deze vertraging; hun argument dat zij het verzoek pas indienden nadat zij waren bijgekomen van de zitting werd niet als voldoende geaccepteerd.
Op grond van artikel 36 en Pro 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering werd het wrakingsverzoek daarom niet-ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer zag geen aanleiding om het verzoek inhoudelijk te behandelen en besloot het verzoek zonder zitting af te wijzen.
De beslissing werd op 25 juli 2024 in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Aalders, mr. A.V.T. de Bie en mr. P.F.E. Geerlings, in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder redelijke verklaring.