In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en een nieuwe beslissing genomen. Verdachte werd primair tenlastegelegd poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het slachtoffer met een vervuilde naald in de duim te prikken, subsidiair mishandeling door diezelfde handeling.
Het hof sprak verdachte vrij van het primair tenlastegelegde omdat het opzet op zwaar lichamelijk letsel niet wettig en overtuigend was bewezen. Wel achtte het hof het subsidiair tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaring van het slachtoffer, het prikgaatje met bloed, de aangetroffen naalden bij verdachte en een foto van het letsel.
De mishandeling werd als ernstig beoordeeld omdat het slachtoffer werkzaam was op een opvanglocatie van het Leger des Heils, hetgeen strafverzwarend werd meegewogen. Het hof legde een gevangenisstraf van twee maanden op, met aftrek van voorarrest.
De benadeelde partij vorderde immateriële schadevergoeding van €1.750,00, waarvan het hof €1.000,00 toewijst met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. Tevens werd de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal twintig dagen.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 1 augustus 2024.