De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 5264 hennepstekken en 155 hennepplanten in een woning te Zwanenburg. De tenlastelegging betrof het gezamenlijk en in vereniging aanwezig hebben van deze grote hoeveelheid hennep, een middel als bedoeld in de Opiumwet.
De verdediging voerde onherstelbare vormverzuimen aan vanwege een onrechtmatige observatie zonder machtiging en een onrechtmatige doorzoeking van de auto, wat volgens hen tot bewijsuitsluiting en vrijspraak moest leiden. Het hof verwierp deze verweren omdat de observatie beperkt en niet stelselmatig was, en de doorzoeking rechtmatig op grond van een redelijk vermoeden van schuld.
Het hof stelde vast dat de verdachte de sleutels van de woning en schuur bezat, regelmatig aanwezig was in de woning en met een doos met hennepgerelateerde goederen vertrok. Samen met de veroordelingen van medeverdachten leidde dit tot de conclusie van medeplegen. De redelijke termijn was in eerste aanleg met ruim twee maanden overschreden, wat het hof meewoog in de strafoplegging.
De opgelegde straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht.