Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Noord-Holland inzake de invoer van cocaïne door verdachte op 28 april 2024 op luchthaven Schiphol.
De verdachte had 87 bolletjes cocaïne geslikt met een totaalgewicht van 713,4 gram, bestemd voor verdere verkoop. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk deze hoeveelheid cocaïne het Nederlandse grondgebied had binnengebracht. Andere tenlasteleggingen werden niet bewezen verklaard.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 7 maanden gevangenisstraf, welke straf het hof bekrachtigde. Persoonlijke omstandigheden, zoals het verwachten van een kind, werden door het hof meegewogen maar onvoldoende geacht om af te wijken van de onvoorwaardelijke straf conform de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
De straf wordt volledig uitgezeten, met aftrek van voorarrest, binnen de penitentiaire inrichting, tenzij de veroordeelde in aanmerking komt voor een penitentiair programma of voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht conform deze overwegingen.