ECLI:NL:GHAMS:2024:3027
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep vergoeding kosten rechtsbijstand in strafonderzoek Lavrec
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam die zijn verzoeken tot vergoeding van kosten rechtsbijstand in verband met het strafrechtelijk onderzoek Lavrec niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een beëindigde strafzaak tegen appellant als verdachte, zodat artikel 530 Sv Pro niet van toepassing was.
Het hof heeft het standpunt van het Openbaar Ministerie gehoord en vastgesteld dat het onderzoek Lavrec aanvankelijk gericht was op een vennootschap waarvan appellant bestuurder is. Inmiddels is besloten appellant zelf strafrechtelijk te vervolgen wegens fiscale fraude, waardoor het onderzoek nog niet is beëindigd en het verzoek prematuur is.
De stelling van appellant dat hij eerder als verdachte was aangemerkt en de vervolging was beëindigd, wordt door het hof niet gevolgd wegens onvoldoende bewijs. Het hof bevestigt de rechtmatigheid van de niet-ontvankelijkheid van het verzoek onder a en wijst de verzoeken onder b en c af wegens gebrek aan billijkheid.
Het hoger beroep wordt daarom afgewezen voor het verzoek onder a en vernietigt de beslissing voor de verzoeken onder b en c, die vervolgens worden afgewezen. De beschikking is uitgesproken op 29 oktober 2024 door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen voor het verzoek onder a en de verzoeken onder b en c worden afgewezen wegens prematuriteit en gebrek aan billijkheid.