De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Amsterdam van 23 januari 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor woninginbraak in vereniging en verduistering. Het hof heeft het vonnis bevestigd, maar de bewijsoverwegingen aangepast en aangevuld.
De woninginbraak vond plaats tussen 22 en 29 juni 2022 in een woning waar de bewoners op vakantie waren. De politie achtervolgde op 28 juni 2022 een auto van de vader van verdachte, waarin een kluis en een koevoet werden weggegooid. DNA-sporen van verdachte werden op de kluis en handschoenen in de auto aangetroffen, wat het hof overtuigde van zijn betrokkenheid bij de inbraak. Verdachte maakte gebruik van zijn zwijgrecht en gaf geen aannemelijke verklaring.
Ten aanzien van de verduistering van een etui met sieraden, aangetroffen in de auto op 1 augustus 2022, oordeelde het hof dat onvoldoende bewijs was voor diefstal of schuldheling. Wel werd bewezen dat verdachte het etui wederrechtelijk heeft toegeëigend, omdat zijn verklaring over het voornemen tot afgifte aan de politie ongeloofwaardig was. Verdachte is vrijgesproken van medeplegen van verduistering.
Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak op het derde feit en bevestigde het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van de aangepaste bewijsoverwegingen en aanvullingen op bewijsmiddelen.