ECLI:NL:GHAMS:2024:3266
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Erfgenaam niet-ontvankelijk in vorderingen tegen executeur nalatenschap
De zaak betreft een geschil tussen broer en zus, beiden erfgenamen van hun moeder die in 2022 is overleden. De zus is benoemd tot executeur van de nalatenschap. De broer vordert onder meer betaling van achterstallige termijnen van een geldlening en een gebruiksvergoeding voor het gebruik van een woning uit de nalatenschap.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen van de broer af. In hoger beroep betoogt de broer dat de zus als executeur haar taak heeft afgerond en dat hij daarom bevoegd is om namens de erfgenamen op te treden. Het hof stelt vast dat de executele nog niet is afgerond, de boedelbeschrijving ontbreekt nog en de zus heeft het beheer nog niet beëindigd.
Op grond van artikel 4:145 BW Pro is de executeur privatief bevoegd om namens de nalatenschap op te treden. De broer is daarom niet bevoegd om zonder toestemming van de executeur in rechte op te treden. De vorderingen van de broer worden daarom niet-ontvankelijk verklaard. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De broer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tegen de zus als executeur van de nalatenschap.