Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling. De mishandeling bestond uit het geven van een vuistslag in het gezicht van het slachtoffer op 12 december 2021 in Amsterdam.
De verdachte voerde aan dat zij niet met een gebalde vuist had geslagen, maar met haar telefoon in de hand naar het slachtoffer had uitgehaald. Het hof oordeelde echter dat de hand van de verdachte, ondanks het vasthouden van de telefoon, als een vuist moest worden beschouwd. Dit oordeel werd ondersteund door verklaringen van het slachtoffer, een getuige en het vastgestelde letsel.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van hetgeen meer of anders was ten laste gelegd dan de enkelvoudige vuistslag. De straf werd vastgesteld op een geldboete van 100 euro, bij gebreke van betaling te vervangen door twee dagen hechtenis, rekening houdend met het blanco strafblad van de verdachte en het beperkte letsel van het slachtoffer.
De eerdere strafbeschikking werd vernietigd en de strafoplegging werd gematigd ten opzichte van de gebruikelijke richtlijnen, mede vanwege het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.