ECLI:NL:GHAMS:2024:3369
Gerechtshof Amsterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer in hoger beroep notariaat
Verzoekster heeft in het hoger beroep tegen een vonnis van de Kamer voor het notariaat een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheer die de zaak behandelde. Zij stelde dat zij op de zitting werd afgekapt, dat haar klachten niet inhoudelijk werden behandeld, het beginsel van hoor en wederhoor werd geschonden en dat een andere raadsheer onterecht een voorlopig oordeel gaf.
De raadsheer betwistte de klachten en stelde dat het verzoek niet tijdig was ingediend. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig was, gelet op de redelijke termijn die verzoekster nodig had om het verzoek op te stellen. De kamer beoordeelde vervolgens de inhoudelijke gronden en concludeerde dat de ordebeslissingen van de raadsheer binnen zijn bevoegdheid vielen en geen aanwijzing voor vooringenomenheid vormden.
Ook werd geoordeeld dat het feit dat vragen werden gesteld over een andere notaris en dat verzoekster niet direct mocht reageren op een samenvatting van haar klachten niet leidde tot een schending van het recht op een onpartijdige behandeling. De vermeende voorlopige oordelen van een andere raadsheer konden niet worden aangemerkt als reden tot wraking.
De wrakingskamer wees het verzoek daarom af en bevestigde de onpartijdigheid van de raadsheer. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 2 december 2024 door drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheer is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.