Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De procedure na verwijzing door de Hoge Raad
2.De verzoeken na verwijzing
3.De motivering van de beslissing
.2 Volgens onderdeel 4 van het middel heeft het hof miskend dat het aan de man was om zijn stelling te onderbouwen en te bewijzen dat de vrouw tussen 21 en 31 augustus 2012 van gedachte is veranderd ten aanzien van de grondslag van de betaling van € 435.000,--. Het onderdeel slaagt. Vanuit het uitgangspunt dat de vrouw het bedrag van € 435.000,-- aanvankelijk aan de man heeft geleend, welke mogelijkheid het hof in het midden heeft gelaten, levert het betoog van de man dat de lening later is gewijzigd in een investering een bevrijdend verweer op, ten aanzien waarvan de man de stelplicht en de bewijslast draagt. Het hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de vordering tot terugbetaling van het bedrag alleen toewijsbaar is indien de vrouw niet alleen bewijst dat zij het bedrag van € 435.000,-- aan de man heeft geleend, maar ook dat zij haar aandeel in de woning om niet heeft verkregen.
“(…) Toen zij (vermoedelijk, want de man weet hier niets van) de bank (in persoon van de [X] ) opdracht gaf om € 435.000 uit haar portefeuille vrij te maken op 21 augustus 2012 was het nog de bedoeling dat zij zou lenen, vandaar de omschrijving “lening”. In de 10 dagen die volgden tot de datum overdracht 31 augustus 2012 hebben partijen onderhandeld over de eigendomsverhouding, zou de vrouw kiezen voor koop. Dat hebben zij uiteindelijk opgelost met de verhouding 60/40% (…).” Hoewel deze uitlating van de man zich in beginsel leent voor een uitleg, aldus dat het “
de bedoelingvan partijen” was dat het zou gaan om een lening, heeft de man in zijn memorie na verwijzing nader toegelicht dat zijn verweer in hoger beroep onbedoeld is geïnterpreteerd als een betoog van de man dat de lening later is gewijzigd in een investering. De eventuele bedoeling van de vrouw bij de overboeking en de vermelding bij de overschrijving betekent niet dat hierover tussen partijen een definitieve leningsovereenkomst tot stand was gekomen, aldus de man. Ter zitting na verwijzing heeft de advocaat van de man voorts desgevraagd verklaard dat met deze passage in het verweerschrift van de man was bedoeld dat het “
de bedoelingvan de vrouw” was en niet een gezamenlijke bedoeling van partijen, hetgeen het hof als een passende uitleg voorkomt. De man heeft immers ook aangegeven niets te hebben geweten van de opdracht aan [X] , waarbij de omschrijving “lening” werd vermeld. Dit alles sluit aan bij het door de man - ook in eerste aanleg bij verweerschrift sub 8.1 en 8.2 - geschetste beeld dat er tussen partijen geen afspraak ter zake van een lening gold, maar dat in de aanloop naar de levering van de woning juist een afspraak is gemaakt over een verdeling van de gezamenlijke eigendom vanwege de bijdrage van de vrouw.
Uw cliënte onderbouwt het voorstel met: zij wil haar investering in de gemeenschappelijke woning met winst terug” en “
Vanuit dit bedrag heeft uw cliënte € 435.000,- geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning, waartegenover staat dat zij een eigendomsaandeel van 40% in deze woning heeft verkregen”. Tijdens de zitting ten overstaan van het verwijzingshof is vastgesteld dat de lening tijdens de bespreking van 17 november 2017 niet door de vrouw aan de orde is gesteld.
Dat de man zegt dat er geen lening is… Het is notabene met [X] besproken bij ons aan tafel in de woning aan de [straatnaam] en ondertekend.” De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het verwijzingshof verklaard dat de [X] op 21 augustus 2012 bij partijen thuis is geweest en met hen heeft besproken wat partijen hadden afgesproken. De man heeft dit alles gemotiveerd betwist. De man heeft aangegeven dat dit gesprek nooit heeft plaatsgevonden en dat [X] hem naderhand eens heeft gemeld dat hij in opdracht van de vrouw het woord “lening” bij de overboeking heeft genoteerd. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door de man kan deze verklaring van de vrouw niet dienen ter onderbouwing van haar stelling. Ook lag het op de weg van de vrouw deze feiten deugdelijk voor te dragen en een daarop toegesneden bewijsaanbod te doen. Zij heeft dit alles nagelaten.
overeengekomen zijndat de vrouw ter gelegenheid van de aankoop van de woning voor eerder misgelopen rendement zou worden gecompenseerd, doordat zij haar aandeel van 40% ‘om niet’ zou verkrijgen, ontbreekt. De man heeft dit ook uitdrukkelijk betwist. De omstandigheid dat de vrouw niet heeft meegedeeld in de winsten van eerdere woningen van de man en gedurende een tijd niet anderszins rendement heeft kunnen maken op haar aan de man uitgeleende geld, is het gevolg van het ter gelegenheid van die eerdere geldleningen tussen de man en de vrouw gemaakte afspraken en van hun huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft zelf besloten op deze wijze gelden aan de man uit te lenen en geen renteverplichting te verlangen. Ze was geen mede-eigenaar van de eerdere woningen van de man. Bij die woningen lag dus het risico van een eventuele waardedaling van de woning ook steeds volledig bij de man. De man heeft bij de verkoop van zijn woning in Frankrijk winst gemaakt. Dat hij de door de vrouw gesuggereerde miljoenenwinst heeft gemaakt is niet komen vast te staan, wel dat sprake was van een winst van in ieder geval € 798.000,- netto. Dat de vrouw ‘slechts’ het door haar aan de man uitgeleende bedrag van € 500.000,- terugbetaald heeft gekregen levert, gezien het voorgaande, geen concreet aanknopingspunt voor de door de vrouw gestelde afspraak op. Ditzelfde geldt voor haar stelling dat de aan haar als onderdeel van de terugbetaalde € 500.000,- geleverde aandelen een bedrag van € 35.000,- minder waard zijn geworden. Hierbij merkt het hof op dat niet is komen vast te staan dat de aandelen op het moment van overdracht aan haar al minder waard waren dan € 50.000,-. Uit de door de vrouw overgelegde mutaties van de rekening-courant bij brief van 2 juni 2020 volgt dat de lening van € 150.000,- die de vrouw op 22 november 2011 aan de man heeft verstrekt reeds op 15 december 2011 weer door de man is terugbetaald. Dit bedrag heeft zij dus slechts relatief korte tijd moeten missen. Gezien het voorgaande heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat de man de door de vrouw gestelde miljoenenwinst heeft gemaakt met de woning in Frankrijk. Ook als van een nettowinst van de man van € 798.000,- wordt uitgegaan en van de omstandigheid dat de vrouw steeds conform de gemaakte afspraken ‘slechts’ haar uitgeleende vermogen terugbetaald heeft gekregen en daarmee niet rendement heeft kunnen genereren, alsmede van haar stelling dat zij jarenlang geen AOW heeft opgebouwd, wat hiervan verder ook zij, zouden deze omstandigheden voor partijen mogelijk aanleiding
kunnenzijn geweest om bij de aankoop van de woning de door de vrouw gestelde afspraak (verkrijging van het aandeel van 40% ‘om niet’) te maken om haar zo te compenseren voor ‘misgelopen rendement’. Echter, de man was hiertoe niet verplicht. Uit het voorgaande volgt niet dat bij hem de wens bestond de vrouw te compenseren en dat partijen vervolgens de door de vrouw gestelde afspraak hebben gemaakt.