Deze zaak betreft een geschil tussen aandeelhouders van Leeuwarden Recycling, een recyclingbedrijf opgericht in 2019, waarin [A Holding] c.s. en [B Holding] c.s. samenwerkten maar waarbij de samenwerking mislukte. [A Holding] c.s. verzochten de Ondernemingskamer om een onderzoek naar wanbeleid en onmiddellijke voorzieningen, waaronder het ontslaan van een bestuurder en vernietiging van besluiten.
De Ondernemingskamer oordeelde dat hoewel [A Holding] c.s. formeel geen aandeelhouder zijn, hun economisch belang gelijkgesteld kan worden aan dat van aandeelhouders. Er bestaat gegronde reden voor twijfel aan het beleid en de gang van zaken bij Leeuwarden Recycling, mede door het ontbreken van overleg, ontzegging van toegang tot de administratie, onduidelijkheid over activa en investeringen, en het beëindigen van de samenwerking zonder instemming.
De Kamer besloot een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken vanaf de oprichting in december 2019 tot aan de beschikking. Directe voorzieningen zoals schorsing van bestuurders en vernietiging van besluiten worden afgewezen, maar kunnen later aan de orde komen. De kosten van het onderzoek komen voor rekening van Leeuwarden Recycling, met een mogelijkheid tot voorschotfinanciering door [A Holding] c.s. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.