De verdachte werd ten laste gelegd dat zij op 19 april 2021 te Amsterdam een personenauto bestuurde terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs geschorst was op grond van artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994. De politierechter sprak haar vrij, maar het openbaar ministerie ging in hoger beroep.
Het hof stelde vast dat het CBR op 27 januari 2021 een besluit tot schorsing van het rijbewijs aan de verdachte had gestuurd, inclusief een factuur voor opleggingskosten die op 8 maart 2021 was betaald. Dit leidde het hof af uit de bekendheid van de inhoud van de brief. De verdachte reed op 19 april 2021 ondanks de nog geldende schorsing, omdat de uitvoeringskosten nog niet waren betaald en het onderzoek naar drugsgebruik nog niet had plaatsgevonden.
De verdediging voerde aan dat de verdachte niet wist van de schorsing en dat de correspondentie onduidelijk was, maar het hof verwierp dit omdat de betaling van de factuur aannemelijk maakte dat de verdachte op de hoogte was. Het hof oordeelde dat de verdachte strafbaar was en dat een gevangenisstraf niet passend was gezien de omstandigheden en de ouderdom van het feit.
Het hof veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 28 uur en 14 dagen hechtenis, waarbij de hechtenis als vervangende straf geldt indien de taakstraf niet wordt verricht. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het bewezenverklaarde werd vastgesteld zoals hierboven omschreven.