ECLI:NL:GHAMS:2024:3444
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake wijziging tijdelijke zorgregeling na echtscheiding
Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over drie minderjarige kinderen met een vastgestelde zorgregeling. De vader verzocht om wijziging van de tijdelijke zorgregeling, waarop de voorzieningenrechter deels wijzigde. De moeder kwam hiertegen in hoger beroep.
De moeder stelde dat de gewijzigde regeling haar werkverlies veroorzaakte en dat de kinderen hun vader te weinig zien, wat schadelijk zou zijn. Het hof oordeelde dat de moeder onvoldoende onderbouwde dat de regeling haar werkverlies veroorzaakte of dat de regeling niet in het belang van de kinderen was.
Het hof vond dat de subsidiaire vordering van de vader geen verkapt hoger beroep was, omdat nieuwe omstandigheden waren ontstaan na de eerdere beschikking. De moeder faalde in haar grief en het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter, waarbij de proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de voorzieningenrechter en wijst het hoger beroep van de moeder af.