De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling van zijn bejaarde buurman door tweemaal met de vuist in het gezicht te slaan. Er was sprake van een langdurig conflict voorafgaand aan het incident. De verdachte stelde hoger beroep in tegen de strafoplegging.
Het hof verenigt zich met het vonnis van de politierechter wat betreft de bewezenverklaring, maar vernietigt de opgelegde straf. De bewijsvoering wordt vervangen door de bekennende verklaring van de verdachte in hoger beroep en het proces-verbaal van aangifte. De verdachte heeft het tenlastegelegde bekend en geen vrijspraak bepleit.
Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon van de verdachte. Gelet op het ontbreken van eerdere veroordelingen, de verantwoordelijkheid die de verdachte ter terechtzitting heeft genomen, het tijdsverloop en het feit dat hij sindsdien niet opnieuw in aanraking is gekomen met justitie, legt het hof een deels voorwaardelijke geldboete van €1000 op met een proeftijd van één jaar. Tevens wordt een gedeelte van de geldboete niet ten uitvoer gelegd tenzij de verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt.