ECLI:NL:GHAMS:2024:3649

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2024
Publicatiedatum
17 januari 2025
Zaaknummer
23-001843-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling bejaarde buurman met vuistslagen

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling van zijn bejaarde buurman door tweemaal met de vuist in het gezicht te slaan. Er was sprake van een langdurig conflict voorafgaand aan het incident. De verdachte stelde hoger beroep in tegen de strafoplegging.

Het hof verenigt zich met het vonnis van de politierechter wat betreft de bewezenverklaring, maar vernietigt de opgelegde straf. De bewijsvoering wordt vervangen door de bekennende verklaring van de verdachte in hoger beroep en het proces-verbaal van aangifte. De verdachte heeft het tenlastegelegde bekend en geen vrijspraak bepleit.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon van de verdachte. Gelet op het ontbreken van eerdere veroordelingen, de verantwoordelijkheid die de verdachte ter terechtzitting heeft genomen, het tijdsverloop en het feit dat hij sindsdien niet opnieuw in aanraking is gekomen met justitie, legt het hof een deels voorwaardelijke geldboete van €1000 op met een proeftijd van één jaar. Tevens wordt een gedeelte van de geldboete niet ten uitvoer gelegd tenzij de verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke geldboete van €1000 met een proeftijd van één jaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001843-22
datum uitspraak: 10 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-257124-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, behalve ten aanzien van de strafoplegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat de door de politierechter gehanteerde bewijsvoering wordt vervangen door de navolgende opsomming van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv, aangezien de verdachte het tenlastegelegde ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2024;
Een proces-verbaal aangifte van 13 oktober 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 5-6].

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, waarvan twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter opgelegd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte een deels voorwaardelijke geldboete op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn bejaarde buurman, door deze tweemaal met de vuist in het gezicht te slaan. Voorafgaand aan deze mishandeling was sprake van een langdurig conflict tussen de aangever en (familieleden van) de verdachte. Op de dag van het bewezenverklaarde vond een woordenwisseling plaats, waarna de verdachte de aangever heeft mishandeld. Door geweld te gebruiken, heeft hij blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van anderen.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor een jeugdige voor een mishandeling door middel van vuistslagen met enig letsel tot gevolg een taakstraf van zestig uren genoemd. Voor meerderjarige verdachten gaat het om een geldboete.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 september 2024 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel weegt. Het hof weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij ter terechtzitting in hoger beroep alsnog verantwoordelijkheid heeft genomen voor het feit, het tijdsverloop in deze zaak en de omstandigheid dat hij na het onderhavige feit niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Gelet op het tijdsverloop zal het hof volstaan met een proeftijd van één jaar zoals door de raadsvrouw is bepleit.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
6 (zes) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van
€ 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. C.J. van der Wilt en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 oktober 2024.
mr. C.J. van der Wilt, is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
mr. A.M.A. Keulen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]