De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het herhaaldelijk niet voldoen aan een gebiedsverbod opgelegd door de burgemeester van Amsterdam. Het gebiedsverbod betrof het centrumgebied en ondergrondse metrostations, waar de verdachte zich ondanks het verbod meerdere keren heeft opgehouden.
De bewezenverklaring betreft vier afzonderlijke overtredingen in februari 2024. De verdachte was zich bewust van het verbod en overtrad dit doelbewust, terwijl hij kort daarvoor ook al onherroepelijk was veroordeeld voor een gelijk misdrijf. Het hof achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen.
Gezien de ernst van de feiten, de eerdere veroordeling en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder psychische en sociale problematiek met lopende zorgtrajecten en een mogelijk ISD-onderzoek, achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf onwenselijk. Daarom legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op met een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast wees het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen af, gelet op de bijzondere omstandigheden en lopende zorgtrajecten. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het arrest van het hof vervangt dit.