Het gerechtshof Amsterdam heeft op 5 december 2024 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2024. De jeugdige verdachte werd beschuldigd van een reeks inbraken bij verschillende bedrijven waarbij onder meer computers, geld en gereedschap werden weggenomen. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar vernietigde en herkwalificeerde enkele bewezenverklaringen in de zaken A en C.
De bewezenverklaringen betroffen diefstal door twee of meer verenigde personen, medeplegen, en het gebruik van braak en verbreking. De rechtbank had een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) van 12 maanden opgelegd, subsidiair zes maanden vervangende jeugddetentie, met aftrek van voorarrest. Het hof achtte deze straf passend en geboden, maar paste enkele voorwaarden van het programma aan op basis van het hoger beroep.
De maatregel omvat onder meer wonen in een kleinschalige voorziening met trauma-sensitieve en forensische kennis, dagbesteding, begeleiding door een EPJO coach en individuele behandeling bij een forensische GGZ-instelling. De dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel werd bevestigd. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht op de vervangende jeugddetentie. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.