De zaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin de verdachte werd veroordeeld voor het mishandelen van haar destijds zesjarige zoon door hem met een kabel te slaan, wat meerdere letsels veroorzaakte.
Het hof bevestigt het bewezenverklaarde feit en oordeelt dat het mishandeling plaatsvond in de thuissituatie, gelet op de gezinssituatie en het woonadres. Een aanvullend bewijsmiddel, de verklaring van de verdachte zelf, ondersteunt dit oordeel. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsman af om een neuropsycholoog als getuige te horen wegens onvoldoende onderbouwing.
Ten aanzien van de strafoplegging vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en legt een aangepaste straf op: een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 100 uren, verminderd met 20 uren wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof motiveert de straf aan de hand van de ernst van het misdrijf, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en het gebrek aan inzicht en verantwoordelijkheid van de verdachte.
De redelijke termijn is overschreden met 11 maanden in hoger beroep, wat het hof meeneemt in de strafmatiging. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf met aftrek van voorarrest, waarbij twee uren taakstraf worden afgetrokken per dag voorarrest.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 21 november 2024.