ECLI:NL:GHAMS:2024:3689

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2024
Publicatiedatum
3 februari 2025
Zaaknummer
23-002033-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis sociale zekerheidsfraude met matiging straf wegens overschrijding redelijke termijn en ziekte

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 juli 2023, waarin verdachte werd veroordeeld voor sociale zekerheidsfraude. De verdachte had bijna vier jaar lang opzettelijk nagelaten de uitkeringsinstantie te informeren over inkomsten uit werk van haarzelf en partner, waardoor zij de gemeenschap financieel benadeelde.

Het hof bevestigde de bewezenverklaring van het feit, maar vernietigde de opgelegde straf. Gezien de ernst van het feit was een forse taakstraf passend, maar vanwege de ernstige ziekte van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn matigde het hof de straf tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 160 uren met een proeftijd van drie jaar.

De redelijke termijn was overschreden met ruim twee jaar, aangezien de verdachte op 17 april 2019 in verzekering was gesteld en het vonnis pas op 10 juli 2023 werd gewezen. De straf wordt opgelegd met een vervangende hechtenis van 80 dagen indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per dag voorarrest.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 9 december 2024. De raadsman had verzocht de straf te matigen vanwege de ziekte van de verdachte, hetgeen het hof heeft gehonoreerd.

Uitkomst: Verdachte opgelegd een geheel voorwaardelijke taakstraf van 160 uren met een proeftijd van drie jaar wegens sociale zekerheidsfraude.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002033-23
datum uitspraak: 9 december 2024
TEGENSPRAAK
(gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 juli 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-107475-20 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis indien niet naar behoren verricht, met aftrek van de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep bevestigt, met uitzondering van de opgelegde straf, en de verdachte veroordeelt tot een taakstraf van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaren.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal te beslissen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte, die een bijstandsuitkering genoot, heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van sociale zekerheidsfraude, door bijna vier jaar lang opzettelijk na te laten de uitkeringsinstantie in te lichten over het feit dat zij en haar partner werkten en daaruit inkomsten genoten. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte op grove wijze het vertrouwen waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland is gebaseerd geschonden en de gemeenschap financieel benadeeld. Zij heeft misbruik gemaakt van voorzieningen die dienen als vangnet, en dit rekent het hof de verdachte zwaar aan. Een forse taakstraf als in eerste aanleg opgelegd is op zich dan ook passend.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte ernstig ziek is.
Hij heeft dit onderbouwd met een brief van de huisarts van 20 november 2024 en met schriftelijk stukken waaruit onder andere blijkt dat de verdachte een afspraak heeft gehad bij de polikliniek maag-, darm- en leverziekten, meerdere afspraken heeft gehad bij de afdeling radiologie en bestraling heeft gehad. Het hof ziet in deze persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om de straf te matigen, en komt in beginsel tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 180 uren, met een proeftijd van drie jaren.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis en -arrest binnen twee jaren per rechterlijke instantie nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De verdachte is op 17 april 2019 in verzekering gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 10 juli 2023 vonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met twee jaar en bijna drie maanden overschreden. Het hof ziet hierin aanleiding de straf te matigen, in die zin dat aan de verdachte zal worden opgelegd een geheel voorwaardelijke taakstraf van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis indien niet naar behoren verricht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
80 (tachtig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. M.L.M. van der Voet en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 december 2024.
Mrs. Van der Voet en Van Es zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]