Op 15 juni 2024 mishandelde de toen dertienjarige verdachte een NS conductrice in de trein tussen Heiloo en Castricum door haar meerdere malen te slaan en te schoppen nadat zij de telefoon van de vriendin van de verdachte had ingenomen om het identiteitsbewijs te controleren. De verdachte stelde zich op het standpunt van noodweer, stellende dat de conductrice de vechtpartij was begonnen, maar het hof verwierp dit verweer omdat het niet aannemelijk was dat sprake was van een noodweersituatie.
In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld tot een werkstraf en een leerstraf, met subsidiaire jeugddetentie. In hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis en verklaarde de verdachte schuldig aan mishandeling, maar besloot geen straf of maatregel op te leggen. Het hof nam daarbij de ernst van het feit en de omstandigheden in aanmerking, maar ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat de verdachte niet had meegewerkt aan een buitengerechtelijke afdoening via Halt.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €500,- wegens immateriële schade, waarvan het hof €250,- toewijst, met wettelijke rente vanaf 15 juni 2024. Voor het overige werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter. De vader van de verdachte werd veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij tot nihil.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 19 december 2024.