Het gerechtshof Amsterdam heeft op 27 februari 2024 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2022 in een ontnemingszaak. Het openbaar ministerie had in eerste aanleg gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €74.757,05, maar stelde dit bedrag tijdens de zitting bij op €51.720,10. De rechtbank stelde dit bedrag vast en legde de betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd, met een belangrijke aanvulling. Het hof voegde een proces-verbaal toe dat indicatoren bevat over eerdere oogsten van hennep in een kwekerij op een adres te Westbeemster. Dit proces-verbaal geeft aan dat er sprake was van zware vervuiling en dat er meer dan vijf eerdere oogsten hebben plaatsgevonden, maar dat het exacte aantal niet vast te stellen is. Daarom is in het voordeel van de betrokkene uitgegaan van vijf eerdere oogsten bij de berekening van het voordeel.
Het hof verwierp de stelling van het openbaar ministerie dat de betrokkene voordeel had verkregen uit de hennepteelt op 6 februari 2020, omdat het hof oordeelde dat de betrokkene uit andere strafbare feiten voordeel had verkregen. Het vonnis werd aldus bevestigd met inachtneming van deze overwegingen en de toevoeging van het bewijsmiddel.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één rechter wegens omstandigheden niet medeondertekende.