De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor witwassen van €30.000, waarbij het geld in een voertuig werd aangetroffen. Na hoger beroep en vernietiging door de Hoge Raad werd de zaak opnieuw beoordeeld door het gerechtshof Amsterdam. Het hof oordeelde dat het vermoeden van witwassen niet was ontzenuwd ondanks de verklaring van de verdachte dat het geld afkomstig was van zijn neef voor de aankoop van een graafmachine.
Het openbaar ministerie voerde aan dat het geldbedrag uit een misdrijf afkomstig was, mede gelet op de omvang, de wijze van vervoer en de aanwezigheid van weegschalen met cocaïneresten in de woning van de verdachte. De verklaring van de verdachte en de getuige werden als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld, mede door tegenstrijdigheden en gebrek aan verifieerbaarheid.
Het hof wees verzoeken van de verdediging af om tapgesprekken opnieuw te laten vertalen en getuigen opnieuw te horen, omdat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig werd geacht. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte het geldbedrag van €30.000 voorhanden had met het besef dat het uit enig misdrijf afkomstig was.
De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uren. Het hof vond een geheel voorwaardelijke straf niet passend gezien de ernst van het feit en het tijdsverloop. Tevens werd het geldbedrag verbeurd verklaard.
De uitspraak bevestigt het belang van een concrete en verifieerbare verklaring van de verdachte bij witwasvermoedens en benadrukt de impact van witwassen op de integriteit van het financiële verkeer.