De zaak betreft het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam waarbij verdachte werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens het achterlaten van een baby in een container. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd en de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens het derde verhoor, als bewijs aanvaard.
De verdediging voerde aan dat de verklaring onbetrouwbaar was vanwege bevindingen van rechtspsychologen, maar het hof verwierp deze stelling omdat de rapportages onvoldoende specifiek en consistent waren. Het hof nam ook de omstandigheden van de verhoren mee, zoals de kwetsbaarheid van de verdachte door een laag intelligentieniveau en zwangerschap, en concludeerde dat de verhoren zorgvuldig en zonder ongeoorloofde druk waren afgenomen.
Daarnaast vond het hof dat de verdachte beschikte over daderinformatie die haar verklaring ondersteunt en dat de latere intrekking van de bekentenis ongeloofwaardig was. Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn, maar verbond hieraan geen gevolgen vanwege de door de verdediging veroorzaakte vertragingen. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven zodra de duur daarvan gelijk was aan de opgelegde straf.