ECLI:NL:GHAMS:2024:484
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake verdeling appartement na echtscheiding
Partijen zijn in 2009 gehuwd en in 2020 gescheiden. De rechtbank had bepaald dat het appartement, waarvan de man 99% en zijn vader 1% eigenaar zijn, gemeenschappelijk eigendom is volgens Oekraïens recht en stelde de wijze van verdeling vast. De man kwam in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht tevens om schorsing van de beschikking.
Het hof oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het niet binnen de vereiste termijn is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, zoals vereist door artikel 3:301 lid 2 BW Pro. Dit artikel geldt voor uitspraken die in de plaats treden van een leveringsakte van een registergoed, wat hier het geval is.
De man voerde aan dat het voorschrift niet van toepassing is omdat de vader mede-eigenaar is en niet betrokken was, en dat de redelijkheid en billijkheid toepassing van het voorschrift uitsluiten, maar het hof verwierp deze argumenten. Ook de stelling dat hij alsnog vrijwillig zal meewerken, leidt niet tot ontvankelijkheid.
Het hof bevestigt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat de rechtbank niet buiten de rechtsstrijd is getreden door ambtshalve indeplaatstreding toe te passen. De kosten worden gecompenseerd en het hoger beroep wordt afgewezen voor zover het de verdeling van het appartement betreft.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige inschrijving in het rechtsmiddelenregister.