In deze civiele zaak in hoger beroep tussen appellant en geïntimeerde staat een betalingsgeschil centraal over meerdere betalingen en een onbetaalde factuur. De kantonrechter wees een vonnis waarbij de vordering van appellant in conventie werd afgewezen en de reconventionele vordering van geïntimeerde werd toegewezen.
Het hof stelt vast dat een eerdere procedure tussen dezelfde partijen en over dezelfde vorderingen gezag van gewijsde heeft, waardoor het hof de conventionele vordering jegens geïntimeerde niet opnieuw kan beoordelen. Daarnaast is appellant tekortgeschoten in het onderbouwen van zijn vordering jegens de andere betrokken vennootschappen.
Ten aanzien van de reconventionele vordering oordeelt het hof dat geïntimeerde niet gerechtigd is tot betaling van de factuur, omdat deze is gesteld door geïntimeerde in privé terwijl de rechthebbende de vennootschap is. Hierdoor wordt het vonnis voor zover de reconventionele vordering is toegewezen vernietigd en deze vordering afgewezen.
De proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep worden gecompenseerd. Het vonnis wordt voor het overige bekrachtigd. Het arrest is gewezen door het Gerechtshof Amsterdam op 26 maart 2024.