In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een vonnis van de voorzieningenrechter inzake het leggen van maritaal conservatoir beslag op een kluisinhoud. [X] c.s. huurt een kluis waarin sieraden, goudstukken en contant geld zijn opgeslagen, waarvan een deel toebehoort aan hen en een deel aan derden. [gedaagde] heeft verlof gekregen om beslag te leggen op de inhoud van de kluis in het kader van de echtscheidingsprocedure met [X].
Het hof stelt vast dat het beslag onjuist is gelegd omdat het ook goederen omvat die niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren, waaronder eigendommen van derden zoals een goede vriend en de zoon van [X] c.s. Partijen bereikten overeenstemming over welke goederen toebehoren aan wie. Het hof bepaalt dat het beslag moet worden opgeheven voor de goederen die niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren, waaronder een bundel gereed geld van €15.000,- die toebehoort aan de zoon.
Verder oordeelt het hof dat het ontbreken van een maritaal derdenbeslag heeft geleid tot het onthouden van rechtsbescherming aan [X] c.s., waardoor zij genoodzaakt waren spoedprocedures te starten. Daarom veroordeelt het hof [gedaagde] in de proceskosten van beide instanties. Het hof wijst het verzoek tot oplegging van een dwangsom af, omdat geen aanwijzingen zijn dat [gedaagde] zich niet aan het arrest zal houden.
Het arrest wordt uitgesproken door mr. Beckers, mr. van de Beek en mr. Brands-Bottema en is uitvoerbaar bij voorraad.