Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter bevestigd met betrekking tot de bewezenverklaring van medeplegen voorbereiding van de uitvoer van ruim 300 gram cocaïne. De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot 4 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar het hof vernietigde dit deel van het vonnis en legde een lagere straf op.
De verdediging voerde aan dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte opzettelijk en in nauwe samenwerking met mededaders handelingen had verricht ter voorbereiding van de uitvoer van cocaïne. Het hof verwierp dit verweer op basis van de gebruikte bewijsmiddelen en motivering van de politierechter, en achtte bewezen dat de verdachte een cruciale communicatieschakel vormde tussen koerier, verzender en ontvanger.
Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar fulltime baan in een zorginstelling. Daarom werd een taakstraf van 160 uur gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar opgelegd. Het hof benadrukte de ernst van het feit en stelde een voorwaardelijke straf als extra drempel tegen recidive.
Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 8 april 2024.