In deze zaak stond de verdeling van de zomervakantie van een minderjarig meisje met een ontwikkelingsachterstand centraal. De rechtbank had bepaald dat het kind in even jaren drie weken aan het begin en in oneven jaren drie weken aan het einde van de zomervakantie bij de vader verbleef. De moeder verzocht om aanpassing vanwege zorgen over het welzijn van het kind na de afgelopen vakantieperiode.
De moeder stelde dat het kind tijdens de drie weken bij de vader geen contact met haar had en verward en vermagerd terugkwam, wat het kind moeilijk vond. De vader betwistte deze stellingen en wilde de drie weken aaneengesloten verblijf handhaven. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het hof dat gezien de ontwikkelingsachterstand en spanningen tussen ouders een aaneengesloten periode van drie weken mogelijk te lang is en stelde een meer gefaseerde verdeling voor.
Het hof oordeelde dat het belang van het kind voorop staat en dat de huidige regeling niet passend is. Het stelde een nieuwe verdeling vast waarbij de zomervakantie wordt opgesplitst in zes weken met afwisselend verblijf bij vader en moeder. Tevens benadrukte het hof het belang van betere communicatie tussen ouders en het volgen van een traject om spanningen te verminderen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.