ECLI:NL:GHAMS:2025:1096

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
23 april 2025
Zaaknummer
200.342.261/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling zomervakantie van minderjarig kind met ontwikkelingsachterstand aangepast

In deze zaak stond de verdeling van de zomervakantie van een minderjarig meisje met een ontwikkelingsachterstand centraal. De rechtbank had bepaald dat het kind in even jaren drie weken aan het begin en in oneven jaren drie weken aan het einde van de zomervakantie bij de vader verbleef. De moeder verzocht om aanpassing vanwege zorgen over het welzijn van het kind na de afgelopen vakantieperiode.

De moeder stelde dat het kind tijdens de drie weken bij de vader geen contact met haar had en verward en vermagerd terugkwam, wat het kind moeilijk vond. De vader betwistte deze stellingen en wilde de drie weken aaneengesloten verblijf handhaven. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het hof dat gezien de ontwikkelingsachterstand en spanningen tussen ouders een aaneengesloten periode van drie weken mogelijk te lang is en stelde een meer gefaseerde verdeling voor.

Het hof oordeelde dat het belang van het kind voorop staat en dat de huidige regeling niet passend is. Het stelde een nieuwe verdeling vast waarbij de zomervakantie wordt opgesplitst in zes weken met afwisselend verblijf bij vader en moeder. Tevens benadrukte het hof het belang van betere communicatie tussen ouders en het volgen van een traject om spanningen te verminderen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof bepaalt een nieuwe gefaseerde verdeling van de zomervakantie in zes weken, afwisselend verblijf bij vader en moeder, in het belang van het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.342.261/01
zaaknummer rechtbank: C/13/725163 / FA RK 22-7032 (LB/SV)
beschikking van de meervoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. H. Durdu te Rotterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. E. Cekic te Uitgeest.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Het hof heeft in deze zaak op 4 februari 2025 een tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop tot die datum wordt verwezen naar deze tussenbeschikking.
1.2
Bij voornoemde tussenbeschikking is - voor zover van belang - overwogen dat het hof voorafgaand aan de zitting de raad heeft laten weten dat de aanwezigheid van de raad op de zitting niet nodig was, omdat partijen het eens waren over de verdeling van de zomervakantie. Op de zitting wijzigde de man zijn standpunt, omdat hij ook in de toekomst in de zomervakantie drie weken voor [minderjarige] wil zorgen. De beslissing ten aanzien van de verdeling van de zomervakantie is daarom aangehouden, zodat de raad het hof op een nieuwe mondelinge behandeling van advies kan voorzien. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is, naar het speciaal onderwijs gaat en de communicatie tussen partijen over [minderjarige] daarnaast moeizaam verloopt, en gelet daarop het advies van de raad van belang is voor het nemen van een beslissing over de zomervakantie.
1.3
Het hof heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de man van 26 maart 2025 met bijlage;
- een bericht van de vrouw van 27 maart 2025 met bijlagen.
1.4
De voortgezette mondelinge behandeling heeft op 7 april 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.

2.De motivering van de beslissing

2.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 6 maart 2024 (hierna: de bestreden beschikking) bepaald dat [minderjarige] in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de man verblijft en (zo begrijpt het hof) in de oneven jaren de laatste drie weken.
De standpunten van partijen
2.2
De vrouw was het in eerste instantie eens met de bestreden beschikking. Naar aanleiding van hoe de afgelopen zomervakantie is verlopen, verzoekt de vrouw de vakantieregeling ten aanzien van de zomervakantie aan te passen, in die zin dat [minderjarige] gedurende één week in de zomervakantie bij de man verblijft. Zij voert daartoe aan dat er gedurende de drie weken dat [minderjarige] in de afgelopen zomervakantie bij de man verbleef, geen contact mogelijk was tussen haar en [minderjarige] . Zij betwijfelt ook of de man de hele vakantie bij [minderjarige] is geweest, omdat [minderjarige] vertelt dat ze veel bij haar oma was. Daarnaast kwam [minderjarige] volgens de vrouw sterk vermagerd en verward terug. Sinds de zomervakantie wil [minderjarige] niet meer naar haar vader, terwijl zij daarvoor altijd zin had om naar haar vader toe te gaan. Zo begon [minderjarige] in de kerstvakantie in paniek te huilen tijdens het overdrachtsmoment. Ook is [minderjarige] erg aanhankelijk bij de vrouw. Volgens de vrouw is het voor [minderjarige] , mede gezien haar ontwikkelingsachterstand, te lang om haar moeder drie weken lang niet te zien of te spreken. Zij vindt dat een week in de zomervakantie beter aansluit bij wat [minderjarige] gewend is.
2.3
De man stelt dat hij een fijne zomervakantie heeft gehad met [minderjarige] samen. Hij heeft niet het gevoel dat [minderjarige] sindsdien niet meer naar hem toe wil. Ook betwist hij dat [minderjarige] verward of sterk vermagerd zou zijn na de vakantie. De man wil geen belmomenten tussen [minderjarige] en de vrouw tijdens de vakantie of foto’s en filmpjes aan de vrouw sturen, omdat hij dat ervaart als controlemomenten door de vrouw en zij steeds op een negatieve manier in contact wil treden met hem. [minderjarige] mist haar moeder wel eens, maar volgens de man mist [minderjarige] hem ook als zij bij de vrouw is. De man is van mening dat [minderjarige] prima in staat is om drie weken aaneengesloten bij hem door te brengen in de zomervakantie.
Advies van de raad
2.4
De raad stelt dat in zijn algemeenheid geldt dat kinderen van vijf jaar in principe gedurende drie weken aaneengesloten met ieder van hun beide ouders op vakantie kunnen gaan. Van belang is om te kijken naar de mogelijkheden van [minderjarige] . [minderjarige] is een meisje met een ontwikkelingsachterstand en er loopt een onderzoek naar haar concentratieproblemen. De verhalen van de ouders over het verloop van de zomervakantie 2024 staan lijnrecht tegenover elkaar. De reguliere zorgregeling daarentegen verloopt goed. De raad vermoedt dat [minderjarige] last heeft van de spanningen tussen de ouders. De raad acht het belangrijk dat de ouders samen aan de slag gaan om die spanningen aan te pakken en goede afspraken te maken, bijvoorbeeld door middel van een traject ‘Ouderschap Blijft’.
Voor de komende zomervakantie lijkt een periode van drie weken aaneengesloten bij de vader mogelijkerwijs te lang voor [minderjarige] . Gedacht kan worden aan een week bij de vader, daarna bij de moeder en daarna nog een week bij de vader in de zomervakantie. Desgevraagd geeft de raad aan dat ook een regeling van bijvoorbeeld twee weken bij de vrouw, twee weken bij de man, een week bij de vrouw en nog een week bij de man ook een optie zou kunnen zijn.
Beoordeling door het hof
2.5
Het hof constateert dat de lezing van de vrouw over de afgelopen zomervakantie en de weerslag die dat volgens de vrouw heeft gehad op [minderjarige] door de man uitdrukkelijk wordt betwist. De vrouw heeft haar stellingen niet nader onderbouwd. Vaststaat echter wel dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is met een ontwikkelingsachterstand. Zij functioneert op het niveau van een kind van 3,5 jaar. Zij gaat naar het speciaal onderwijs en heeft logopedie. Ook wordt er op dit moment een onderzoek gedaan in verband met de concentratieproblemen van [minderjarige] . Beide ouders geven daarnaast aan dat de onderlinge communicatie niet goed verloopt. Het hof is met de raad van oordeel dat op dit moment, gelet op de kwetsbaarheid en het ontwikkelingsniveau van [minderjarige] , een vakantie van drie weken aaneengesloten, zonder enig contact met de andere ouder, teveel is voor [minderjarige] . Het hof acht de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zomervakantie, daarom op dit moment (nog) niet in haar belang. Gelet op het feit dat de reguliere zorgregeling, waarbij [minderjarige] van woensdag uit school tot donderdag naar school en om de week een weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man verblijft, wel goed verloopt, ziet het hof geen aanleiding de periode dat [minderjarige] bij haar vader verblijft in de zomervakantie in totale duur terug te brengen. Wel acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat de zomervakantie in meerdere kortere perioden wordt opgedeeld, zodat [minderjarige] de andere ouder niet voor langere tijd hoeft te missen. Om die reden zal het hof in redelijkheid bepalen dat de zomervakantie als volgt tussen de ouders zal worden verdeeld:
[minderjarige] verblijft in de zomervakantie:
  • de eerste week bij de man;
  • de tweede en derde week bij de vrouw;
  • de vierde en vijfde week bij de man;
  • de zesde week bij de vrouw.
Het hof is met de raad van oordeel dat het voor [minderjarige] van belang is dat de ouders hun onderlinge communicatie gaan verbeteren en de spanningen tussen hen, waar [minderjarige] mogelijk last van heeft, gaan aanpakken, bijvoorbeeld door middel van het volgen van het traject ‘Ouderschap Blijft’. Tot slot wijst het hof er volledigheidshalve op dat partijen deze vakantieregeling in onderling overleg mogen wijzigen als zij dat wensen.

3.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking wat betreft de daarbij bepaalde verdeling van de zomervakantie, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat [minderjarige] gedurende de zomervakantie:
- de eerste, vierde en vijfde week bij de man verblijft;
- de tweede, derde en zesde week bij de vrouw verblijft;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, mr. R.M. Troost en mr. E.W.K. Bosman, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 22 april 2025 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.