Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1999 gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2023 gescheiden. De rechtbank heeft toen de echtscheiding uitgesproken en beslissingen genomen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, huurrecht en kinderalimentatie. De verdeling van de huwelijksgemeenschap bleef echter in geschil.
De man kwam in hoger beroep met twee grieven: hij wilde de woning in Marokko toegewezen krijgen en dat de vrouw alleen draagplichtig zou zijn voor een geldlening voor verbouwingskosten. Tijdens de procedure droeg de man de woning in Marokko over aan zijn broer, waarna de vrouw incidenteel hoger beroep instelde met verzoeken tot verklaring van economisch eigendom en vernietiging van de overdracht.
Het hof oordeelde dat de verzoeken van de vrouw niet als nevenverzoeken in de zin van artikel 827 Rv Pro kunnen worden aangemerkt en verklaarde partijen niet-ontvankelijk in hun verzoeken over de woning. De man kon zijn stelling over de verbouwingskosten onvoldoende onderbouwen, waardoor zijn grief faalde. De bestreden beschikking werd verder bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken over de woning in Marokko; de bestreden beschikking wordt bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd.