AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vonnis mishandeling na afwijzing beroep op noodweer
In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter van 3 september 2021 bevestigd in een zaak van mishandeling. De verdachte voerde als verweer dat hij uit noodweer handelde, nadat hij zich verdedigde tegen een vermeende aanval met een stok. Het hof oordeelde echter dat niet aannemelijk was dat er sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding of dreigend gevaar.
De aangever ontkende de beschuldigingen en verklaarde consistent dat hij niet agressief handelde en dat de verdachte hem onterecht sloeg. Ook de getuigenverklaring ondersteunde het verhaal van de aangever. Hierdoor verwierp het hof het beroep op noodweer.
Verder constateerde het hof een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRMPro, aangezien het hoger beroep bijna vier jaar na de dagvaarding werd behandeld. Gezien de aard en zwaarte van de straf werd geen compensatie in de straf opgelegd, maar werd de overschrijding wel erkend.
Ten slotte bepaalde het hof dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen proceskosten dragen, omdat de verdachte niet als in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 29 april 2025.
Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van mishandeling en verwerpt het beroep op noodweer.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002475-21
datum uitspraak: 29 april 2025
TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd op eerdere zitting)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 september 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-178057-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, met dien verstande dat:
het hof de overweging van de politierechter met betrekking tot het beroep op noodweer vervangt en zal bespreken in het kader van de bewijsoverweging;
het hof het vonnis aanvult met een overweging over de redelijke termijn;
het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften aanvult met artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht, maar dat dit het hof niet tot een andere beslissing brengt ten aanzien van de strafoplegging.
het hof zal bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen kosten dragen, nu de verdachte in deze procedure niet kan worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij als bedoeld in artikel 237, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Beroep op noodweer
De verdachte heeft tijdens het verhoor bij de politie op 20 mei 2020 verklaard dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. Hij heeft verklaard dat hij op het pad ruzie aan het maken was met zijn (ex-)vriendin. Een man sprak hen aan en liep op een gegeven moment op zijn (ex-)vriendin af en rolde toen een stok uit. De stok leek op een ploertendoder. De aangever sloeg zijn (ex-)vriendin, waardoor zij op de grond viel. Omdat de aangever daarna op hem af kwam lopen met de stok, heeft de verdachte de aangever met zijn vuist in zijn gezicht geslagen.
Het hof overweegt als volgt.
Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechter van oordeel is dat de feitelijke grondslag van dat beroep, gelet op wat de verdachte daarover heeft verklaard en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd en enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht staat aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden niet in de weg.
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat er voorafgaand aan het handelen van de verdachte sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding of een dreigend gevaar daartoe van de verdachte (en/of zijn (ex-)vriendin) door de aangever.
De aangever ontkent dat hij de (ex-)vriendin van de verdachte, de getuige [getuige] , heeft geslagen en dat hij op de verdachte is afgelopen. De aangever heeft verklaard dat hij hen beiden had gevraagd iets rustiger te doen omdat de mensen bijna sliepen, waarop de getuige [getuige] iets zei wat hij niet hoorde. De aangever vroeg daarop wat zij zei. Hij stond toen met de rug naar de verdachte toe. Daarop zei de verdachte “blijf met je klauwen van mijn wijf af” waarop de aangever zich omdraaide en direct een klap op zijn hoofd kreeg van de verdachte. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de aangever die consistent en gedetailleerd heeft verklaard, zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris. Daarnaast biedt ook de verklaring van de getuige [getuige] geen steun aan de verklaring van de verdachte, omdat daaruit niet volgt dat de aangever iets in zijn hand had en dat hij op de verdachte is afgelopen.
Naar het oordeel van het hof is de gestelde feitelijke grondslag van het beroep op noodweer daarom niet voldoende aannemelijk geworden zodat het hof dit verweer verwerpt.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRMPro is overschreden. Op 6 september 2021 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 29 april 2025. Gelet op de aard en de hoogte van de straf is er voor compensatie in de straf geen aanleiding en is de geconstateerde schending van de redelijke termijn voldoende gecompenseerd met de enkele vaststelling dat deze inbreuk is gemaakt.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene, en vult het aan met de volgende beslissing.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. A.H. Tiemens, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2025.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.