Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Amsterdam van 1 november 2022. Tijdens de terechtzitting op 2 mei 2025 werd vastgesteld dat de verdachte geen schriftelijke grieven had ingediend en ook mondeling geen bezwaren tegen het vonnis had geuit. Daarnaast bleek er geen rechtens te respecteren belang te zijn bij het doen van onderzoek naar de zaak.
Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk is behandeld en het vonnis van de politierechter in stand blijft.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij alleen mr. W.S. Ludwig het arrest medeondertekende, aangezien mr. H.A. van Eijk en mr. M.C. van der Mei daartoe niet in staat waren.