AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vonnis winkeldiefstal in vereniging met uitgebreide bewijsmotivering
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de strafzaak tegen verdachte wegens winkeldiefstal in vereniging. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld en stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het hof heeft het vonnis van de kinderrechter bevestigd, met een aanvullende bewijsmotivering en strafmotivering.
De zaak draaide om de vraag of sprake was van medeplegen en een voltooid delict, aangezien de verdachte bij aanhouding nog in de winkel was en de beveiligingspoortjes niet was gepasseerd. Uit het onderzoek en verklaringen bleek dat verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk en bewust handelden door alarmlabels van kleding te verwijderen en deze kleding te verbergen of aan te trekken, waarmee feitelijke heerschappij over de kleding werd verkregen en de diefstal als voltooid werd beschouwd.
De verdediging voerde vrijwillige terugtred aan, maar het hof verwierp dit omdat het delict voltooid was. De raadsvrouw pleitte vrijspraak, maar het hof oordeelde dat de tenlastegelegde diefstal in vereniging bewezen was. De strafmotivering werd aangevuld, waarbij het hof geen rekening hield met mogelijke nadelige verblijfsrechtelijke gevolgen van de straf wegens onvoldoende concrete onderbouwing.
Het hof bevestigde het vonnis van de kinderrechter en voegde artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht toe aan de toepasselijke wetsartikelen. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 15 mei 2025.
Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor voltooide winkeldiefstal in vereniging met medeplegen.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000247-25
datum uitspraak: 15 mei 2025
TEGENSPRAAK (279 Sv)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-033895-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2007,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw
naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen aanvult en de bewijsoverweging (op p. 6 van het vonnis onder 3., tweede alinea) vervangt, de strafmotivering aanvult en artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht toevoegt aan de aan te halen wetsartikelen, aangezien de verdachte na de datum waarop het door de kinderrechter bewezen verklaarde feit is gepleegd tot straf is veroordeeld
Bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake was van ‘medeplegen’ en dat het delict niet is voltooid, nu de verdachte zich bij de aanhouding nog in de winkel bevond en hij de beveiligingspoortjes nog niet was gepasseerd.
Uit de door de kinderrechter gebezigde bewijsmiddelen en de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie [1] en bij de kinderrechter [2] leidt het hof het volgende af:
De verdachte en de medeverdachte, die elkaar kennen uit Ter Apel, zijn tegelijkertijd, met ieder kleding in de hand, twee naast elkaar gelegen paskamers in gegaan. Bij de politie heeft de verdachte over de medeverdachte gesproken als ‘een vriend van mij genaamd [medeverdachte] ’. De naam van de medeverdachte is [medeverdachte] .
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat het zijn intentie was om een broek te stelen; hij had 5 euro bij zich.
De medeverdachte heeft in zijn paskamer een alarmlabel van een kledingstuk verwijderd en boven op de spiegel gelegd, en is daarna de naastgelegen paskamer van de verdachte in gegaan op het moment dat de verdachte deze verliet. Daar heeft de medeverdachte een alarmlabel op de spiegel gelegd en die paskamer verlaten. Daarna is de verdachte zijn (eigen) paskamer weer ingelopen en heeft een kledingstuk onder zijn kleding gestopt.
De medeverdachte heeft vervolgens nog een kledingstuk gepakt en in de paskamer het beveiligingslabel verwijderd en op de spiegel gelegd.
De medeverdachte heeft de kleding vervolgens aangetrokken en droeg deze toen hij het pashokje verliet.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Door alarmlabels van kledingstukken te verwijderen en deze kleding daarna aan te trekken dan wel onder de eigen kleding te verbergen hebben de verdachten zich een zodanige feitelijke heerschappij over die kleding verschaft dat de diefstal is voltooid. Daarmee acht het hof de tenlastegelegde (voltooide) diefstal in vereniging bewezen. Waar de raadsvrouw vrijwillige terugtred door de verdachte zou hebben bepleit gaat dit verweer al daarom niet op nu het hof een voltooid delict en geen poging bewezen acht.
Aanvulling strafmotivering
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf met een proeftijd nadelige verblijfsrechtelijke gevolgen zou kunnen hebben voor de verdachte.
Naar het oordeel van het hof heeft de raadsvrouw onvoldoende concreet gemaakt of, en zo ja, welke specifieke voor de verdachte nadelige gevolgen de door de advocaat-generaal gevorderde - en in eerste aanleg opgelegde straf heeft. Aldus is het hof van oordeel dat sprake is van een dermate grote onzekerheid met betrekking tot de uiteindelijke verblijfsrechtelijke gevolgen daarvan voor de verdachte , dat het hof hiermee geen rekening zal houden.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.F. Groos, mr. C.J. van der Wilt en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van
mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
15 mei 2025.
Mr. M.K. Durdu-Agema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
1.Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2025026507-12 van 2 februari 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde p. 44 en 45)
2.Proces-verbaal van de terechtzitting van de kinderrechter in rechtbank Amsterdam van 3 februari 2025.